Het verdedigingsbelang vanaf 1 juli 2014: komt er een einde aan kostenverslindende, voor getuigen emotioneel belastende en weinig rendabele getuigenverhoren?

Onlangs wees de Hoge Raad meer dan een handvol arresten over de beoordeling van door de verdediging gedane getuigenverzoeken. Te beginnen met een overzichtsarrest (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496) waarin over hetgeen van de verdediging mag worden verwacht ter onderbouwing van het verdedigingsbelang het volgende werd overwogen:

‘Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde, of het doen horen van getuigen à charge die in het vooronderzoek zijn gehoord, teneinde deze personen of hun afgelegde verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen.’

Voorzichtig beschouwd lijkt deze overweging er op te duiden dat afwijzing van een getuigenverzoek – om de woorden van de Hoge Raad te gebruiken – ‘goed denkbaar’ is wanneer de verdediging verzuimt redenen op te geven waarom een bepaalde getuige dient te worden gehoord ter staving van de betwisting van het tenlastegelegde danwel ter toetsing van de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid belastend bewijsmateriaal. De enkele opgave dat een getuige moet worden gehoord teneinde de betrouwbaarheid van die getuige te toetsen, lijkt op grond hiervan in ieder geval niet te dwingen tot toewijzing van het verzoek tot het horen van die getuige vanwege het verdedigingsbelang.

De concrete toepassing van de door de Hoge Raad in het overzichtsarrest uitgezette lijnen biedt meer aanknopingspunten voor deze interpretatie. Daartoe zijn twee eveneens op 1 juli 2014 door de Hoge Raad gewezen arresten bij uitstek van belang: HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1570 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1567.*

In beide arresten was de afwijzing door het hof van de verzoeken tot het horen van nog niet gehoorde getuigen onder meer ingegeven doordat onvoldoende onderbouwd was waarom de getuigen ter toetsing van de betrouwbaarheid van die getuigen in aanwezigheid van de verdediging ten overstaan van een rechter dienden te worden gehoord. De Hoge Raad liet de afwijzende beslissingen van het hof in beide zaken in stand.

Meer concreet werd het in de eerste zaak van belang geacht dat door de verdediging niet was aangegeven welke vragen nog zouden dienen te worden beantwoord. Die overweging valt op in de wetenschap dat de verdediging de getuigen (in dit geval een zestal verbalisanten) nog niet zelf had kunnen ondervragen. Er bestaat dus geen algemeen recht om verbalisanten zelf en ten overstaan van een rechter te ondervragen, zeker niet over onderwerpen waarover zij zich al eens hebben uitgelaten. Het belang daarvan moet concreet worden onderbouwd.
In de tweede zaak werd onvoldoende geacht te verwijzen naar omstandigheden waarover de verzochte getuigen zich al hadden uitgelaten in eerdere, reeds langer tot het dossier behorende, schriftelijke verklaringen. Daarbij was het de Hoge Raad kennelijk om het even dat de getuigen nog niet in het bijzijn van de verdediging waren gehoord. Onderbouwd had moeten worden waarom een getuige in aanwezigheid van de verdediging en ten overstaan van een rechter hetzelfde moet worden gevraagd als hem of haar reeds bij de politie is gevraagd. Ook hieruit zou kunnen worden afgeleid dat een algemene verwijzing naar het ondervragingsrecht niet voldoende is.

Bij de tweede zaak moet wel de kanttekening worden geplaatst dat in deze zaak getoetst werd aan het noodzakelijkheidscriterium waarbij slechts rekening gehouden werd met het verdedigingsbelang. In hoeverre aan deze uitspraak conclusies kunnen worden verbonden voor de invulling van het verdedigingsbelang zal de toekomst dus nog moeten uitwijzen. Dat neemt echter niet weg dat de bovengenoemde arresten van de Hoge Raad meer dan slechts een overzicht lijken te bieden van de stand van het recht. Dat geldt overigens niet alleen voor de invulling van het verdedigingsbelang, maar ook voor de invulling van het noodzaakcriterium, de verhouding tussen de motivering van het verzoek en de door de rechter opgegeven gronden van afwijzing, alsmede de wijze waarop het procesverloop en de tijdigheid een rol mogen spelen bij de beoordeling van verzoeken. Het voert te ver om daar in deze bijdrage uitgebreid op in te gaan maar het is niet voor niets dat de Hoge Raad aangeeft zijn jurisprudentie waar nodig met het overzichtsarrest te zullen ‘herijken’. Die herijking zou over een paar jaar wel eens als een trendbreuk kunnen worden gezien.

Een van die trendbreuken zou kunnen zijn dat van de verdediging bij onderbouwing van het verdedigingsbelang meer zal worden verwacht dan tot nu toe vaak wordt aangenomen. Buiten het geval waarin sprake is van een getuige die ‘in zijn eentje’ beslissend is voor de vraag naar de betrokkenheid van verdachte bij een strafbaar feit (op grond van de ‘sole or decisive’-regel), lijkt niet langer te kunnen worden volstaan met een algemene verwijzing naar het ondervragingsrecht. Ook niet in het geval het verdedigingsbelang van toepassing is. Voor verbalisanten heeft de Hoge Raad dat nu uitdrukkelijk vastgesteld. Niet valt uit te sluiten dat dezelfde lijn zal worden gevolgd ten aanzien van ‘gewone’ getuigen. Het overzichtsarrest en het hiervoor als tweede aangehaalde arrest wijzen in ieder geval al sterk in die richting. In een eerdere bijdrage op dit blog en een discussie die daarop volgde met advocaat Roelse valt te lezen dat dit in mijn optiek niet ten koste hoeft te gaan van adequate verdedigingsmogelijkheden. De toekomst zal echter moeten uitwijzen in hoeverre de lijn van de Hoge Raad bij de feitenrechters beklijft en daadwerkelijk het einde betekent van kostenverslindende, voor getuigen emotioneel belastende en weinig rendabele getuigenverhoren. Tot die tijd doet de verdediging er verstandig aan hun verzoeken te voorzien van een concretere onderbouwing omdat vanaf 1 juli 2014 afwijzing van die verzoeken meer dan ooit op de loer ligt.

Rick Robroek
Stafjurist Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg

*
In de eerste zaak (HR 1 juli 2014 ECLI:NL:HR:2014:1570) wenste de verdediging 6 verbalisanten te horen omtrent waarnemingen die ze hebben gedaan terzake verschillende diefstallen uit vrachtwagens waarvan de verdachte verdacht werd. Daarin zouden verschillende hiaten en onduidelijkheden zitten. Het hof wijst de verzoeken af aan de hand van het verdedigingsbelang. Daartoe wordt door het hof onder meer het volgende vastgesteld:
1. dat alle in de verzoeken genoemde getuigen hun waarnemingen hebben vastgelegd in op ambtseed opgemaakte processen-verbaal;
2. dat over door de verdediging gesignaleerde daarin voorkomende onduidelijkheden en hiaten in eerste aanleg aanvullende processen-verbaal zijn opgemaakt en
3. dat de verdediging niet nader heeft geconcretiseerd welke vragen nog zouden dienen te worden beantwoord.

De A-G bij de Hoge Raad is van oordeel dat deze gronden de afwijzing niet kunnen dragen. De eerste twee gronden sluiten volgens de A-G niet uit dat de verbalisanten zich hebben vergist of dat de waarnemingen niet zo ondubbelzinnig zijn als deze op grond van hetgeen in de processen-verbaal staat vermeld zou kunnen worden aangenomen. Ten aanzien van de derde grond overweegt de A-G dat de raadsman juist heeft aangegeven dat hij de getuigen wilde horen over een aantal voor het bewijs cruciale waarnemingen.
De Hoge Raad laat echter, met een verwijzing naar het toetsingskader in cassatie én de drie genoemde vaststellingen, de afwijzende beslissing van het hof in stand.

In de tweede zaak (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1567) kreeg de verdediging daags voor de behandeling van de zaak bij het hof de beschikking over een aantal processen-verbaal van verhoren van getuigen bij de rechter-commissaris in de nog steeds in eerste aanleg aanhangige zaak tegen de medeverdachte van verdachte. Indien de stukken gevoegd worden (en dat worden ze) verzoekt de verdediging tot het (zelf) horen van enkele van die getuigen. De onderbouwing van dat verzoek gaat gepaard met de mededeling dat de motivering niet nauwkeuriger kan in verband met de late toezending van de RC-verhoren. Het hof wijst het verzoek af aan de hand van het noodzaakcriterium. Daarbij houdt het hof, gelet op de late inzending van de RC-verhoren, rekening met het verdedigingsbelang. De A-G bij de Hoge Raad is van oordeel dat het tegen de afwijzing ingediende cassatiemiddel niet slaagt. Ook de Hoge Raad laat de afwijzende beslissing in stand en overweegt daartoe – met een verwijzing naar bovenomschreven toetsingskader in cassatie – dat:
1. het hof rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de verdediging eerst daags voor de terechtzitting in hoger beroep de beschikking heeft gekregen over de processen-verbaal;
2. het hof heeft vastgesteld dat de verdediging niet voldoende specifiek heeft aangegeven ten aanzien van welke punten – die niet eerder aan de orde hadden kunnen worden gesteld – zij hen als getuige nader wenste te bevragen;
3. de verdediging haar verzoek ten aanzien van drie van de vijf bedoelde personen niet nader heeft gemotiveerd en dat de verdediging haar verzoek ten aanzien van twee personen slechts heeft onderbouwd door te verwijzen naar omstandigheden waarover deze getuigen zich al hadden uitgelaten in eerdere, reeds langer tot het dossier behorende schriftelijke verklaringen.

Een gedachte over “Het verdedigingsbelang vanaf 1 juli 2014: komt er een einde aan kostenverslindende, voor getuigen emotioneel belastende en weinig rendabele getuigenverhoren?

  1. Pingback: Het verdedigingsbelang: komt er een einde aan getuigenverhoren? ← BijzonderStrafrecht.nl

Reacties zijn gesloten.