Oordeelsvorming

Twee weken geleden was ik te gast op de afsluitingsbijeenkomst van het z.g. Summercourt. Dat is een gezamenlijke activiteit van OM en rechtspraak om veelbelovende juridische studenten te interesseren voor een loopbaan bij de rechterlijke macht. De formule is dat de geselecteerden zich een week bezighouden met een bepaald onderwerp en op de slotbijeenkomst verslag doen van hun ervaringen. Dit jaar was het onderwerp oordeelsvorming. Het werd van diverse kanten belicht. De juridische uiteraard, maar ook de psychologie, sociale aspecten en de werking van het menselijk brein kwamen aan de orde. De verslaglegging moest plaats vinden in de vorm van een filmpje van 2 minuten met als Leitmotiv: “oordeel zelf”. 10 filmpjes in totaal, één uit ieder “overgebleven arrondissement” waarvan er eentje als beste werd uitgekozen. Kortom, een interessant initiatief, een belangrijk onderwerp, misschien iets minder relevant in een tijd waarin er nauwelijks vacatures zijn, en een creatieve vormgeving.

Van de geselecteerden was naar mijn schatting zeker 90% vrouw, goed uitziend, goed van de tongriem gesneden en doorgaans zeer gedreven. Fokke en Sukke hadden gelijk toen ze, in hun jargon, zeiden dat je, om tussen de lekkere wijven te zitten, tegenwoordig geen Frans meer hoeft te studeren, maar gewoon rechter kunt worden.

Ondanks al deze positieve indrukken wil ik, daar ben je tenslotte columnist voor, toch een paar kanttekeningen maken met name bij het thema van de filmpjes: “oordeel zelf”.

Natuurlijk staat het als een paal boven water dat er in de rechterlijke macht geen behoefte is aan meelopers en meepraters, maar aan tegensprekers, mensen met een eigen oordeel die zelfstandig hun mening vormen. Die zelfstandigheid moet echter niet worden overdreven en dat bleek ook wel tijdens de genoemde bijeenkomst bij een aantal stellingen. Één daarvan luidde, kort gezegd, dat het bij de vaststelling van de schuld van de verdachte niet mocht uitmaken welke kamer van de rechtbank, de zaak ter beoordeling kreeg voorgelegd. Ik voeg daar direct aan toe dat hetzelfde natuurlijk ook zou moeten gelden voor de bepaling van de strafmaat en voor enkelvoudig behandelde zaken. Verdachten en slachtoffers hebben recht op een zekere voorspelbaarheid van de uitkomst van hun zaak, als dat tenminste niet een heel bijzondere is; een rechtbank is geen verzameling van individuen waar ieders haan onbelemmerd victorie kan kraaien, maar een organisatie met een traditie en een beleid die idealiter bij de professionals die er werken zijn ingedaald. Een nieuw aantredende “oordeel zelf”-rechter doet er goed aan afwijkende opvattingen in de rechtbankvergadering aan de orde te stellen – een goede president geeft daarvoor alle ruimte – en niet tot uitdrukking te brengen in een individuele door haar te behandelen zaak.

Je kunt het eigenlijk niet anders dan met die stelling eens zijn maar dat is vaak zo met stellingen die een hoog “Sollen-gehalte” hebben en waarbij de maatschappelijke werkelijkheid in meer of mindere mate wordt genegeerd.

Dat bleek ook wel uit de discussie. Een deel van die maatschappelijke werkelijkheid bestaat bv. uit het feit dat uit psychologisch onderzoek is gebleken dat vrouwen op een andere manier tot hun beslissing komen dan mannen. Daarbij was in de cursusweek uitvoerig stil gestaan. In hoeverre dat ook inhoudelijk tot andere beslissingen had geleid was helaas niet onderzocht en al helemaal niet bij rechters. Maar het is natuurlijk allerminst uitgesloten dat een ander proces ook een in andere uitkomst resulteert.

Ook werd de opvatting verdedigd dat rechters ook (maar) mensen zijn en dat het op zich niet verkeerd is dat dit feit ook in de oordeelsvorming tot uitdrukking komt. Opnieuw de botsing dus tussen “Sein und Sollen”.

Mijn oordeel is dat de gevolgen van die “botsing” zoveel als mogelijk moeten worden beperkt en dat het uitgangspunt “oordeel zelf” tegen die achtergrond te ongenuanceerd is.

Niet genoeg kan worden benadrukt dat het bij de beoordeling van zaken niet primair om de beslisser gaat, maar om degenen die aan die aan de beslissing zijn onderworpen. Die hebben, ik zei het al, recht op zoveel mogelijk voorspelbaarheid en consistentie en mogen niet worden geconfronteerd met aller allerindividueelste opvattingen van allerindividueelste rechters of officieren.

Dat betekent dat de rechtspraak en het OM, als organisaties, de dure plicht hebben om het zoveel mogelijk eens te worden over de vraag wanneer vervolging wel of niet is aangewezen, over de wijze waarop een schuldigverklaring tot stand kan/moet komen, over de weging van de diverse bewijsmiddelen en over de factoren die van invloed zijn op de strafmaat en het gewicht van elk daarvan. Dat alles om tot op grote hoogte te voorkomen dat de uitkomst van de zaak afhangt van de plaats waar je terecht moet staan of, erger nog, van de rechter die de zaak behandelt of dat, zoals in vorige columns aan de orde kwam, in hoger beroep wordt vrijgesproken wie in eerste aanleg tot 7 jaar was veroordeeld of in appel bij de bepaling van de strafmaat factoren een rol speelden die er in eerste aanleg kennelijk niet toe deden.

Natuurlijk is er al veel gebeurd op al deze terreinen, maar het is, gelet op de genoemde voorbeelden, niet genoeg. De essentiële tegenkracht voor meer rechtseenheid en rechtszekerheid is de eigenzinnigheid van de (juridische) professional. Die kan van cruciaal belang zijn in situaties waarin moet worden tegengesproken in plaats van meegepraat, in gevallen waar tunnelvisies dreigen, met juridische missers als resultaat. Maar ze is volkomen contraproductief bij de behandeling van de zoveelste dronken rijder of winkeldief en al die andere zaken die weliswaar niet gelijk, maar wel vergelijkbaar zijn.

“Oordeel zelf” is derhalve een belangrijk adagium maar degene die het hanteert, moet wel in staat zijn te beoordelen wanneer het moet worden gehanteerd en wanneer het niet meer is dan de uitdrukking van zelf bedachte eigenwijsheid. Wie daar niet toe in staat is moet niet bij de rechterlijke macht (mogen) gaan werken en wie er toch is binnengekomen moet tot de orde worden geroepen.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie