‘Jantje zag eens pruimen hangen, O! als eieren zo groot’

De even voortreffelijke als hilarische voorstelling ‘De Verleiders’ over de vastgoedfraude begon met het bekendste gedicht van Hiëronymus van Alphen. Rino Verpalen, de voorzitter van de rechtbank in Haarlem die in 2011 de vastgoedfraudezaak “Klimop” behandelde zal minder prettige herinneringen bewaren aan dit gedicht, aangezien zijn onverwachte voordracht ervan ter terechtzitting door de verdediging niet werd gewaardeerd en grond bleek voor wraking. De wrakingskamer oordeelde dat de verdachten objectieve twijfel konden hebben over de onpartijdigheid van deze rechter. Een als zeer kundig bekend staande strafrechter moest het veld ruimen als gevolg van een wellicht als kwinkslag bedoelde voordracht. Met alle consequenties van dien voor de behandeling van deze megastrafzaak.

Deze zaak en de zo mogelijk nog meer in het oog springende wraking van de rechtbank Amsterdam in de Wilders zaak zijn wellicht een klaroenstoot geweest voor de strafrechtadvocatuur om wraking steeds vaker als middel in te zetten om onwelgevallige beslissingen of bejegening van de verdachte ter zitting aan te pakken. Erg succesvol is dat nochtans niet, voor zover het succes wordt afgemeten aan het slagingspercentage dat op zo’n 6 procent ligt. Als het evenwel de bedoeling van de verdediging is de behandeling van een strafzaak te ontwrichten is het een uitermate succesvol middel. Er moet een wrakingskamer van drie rechters worden opgetrommeld die -doorgaans op een andere dag- alvorens te beslissen de betrokkenen op een aparte zitting dient te horen. Het wekt dan ook geen verbazing dat de Raad voor de rechtspraak een onderzoek heeft laten instellen naar de mogelijkheden om de wrakingsprocedure te veranderen. In dit blog schreef Willem Korthals Altes reeds over dit onderzoek. Hij betreurt dat de commissie uitsluitend aanbevelingen doet binnen het nauwe kader van de huidige procedure. Zelf staat hij in een artikel in het NJB een andere procedure voor, waarbij de beoordeling van het door de betrokken rechter afgewezen wrakingsverzoek eerst in een eventuele behandeling van de strafzaak in hoger beroep aan de orde komt. Het voordeel van inbedding in het hoger beroep is dat het vertragend effect verdwijnt en een hogere rechter in plaats van collega’s van de rechtbank over de vermeende partijdigheid oordeelt. Bovendien zal in voorkomende gevallen de verdediging wel mogelijk tevreden zijn met het vonnis en achteraf geen behoefte meer hebben aan wraking van de rechter. Overigens stelt eerdergenoemde commissie ook voor dat het wrakingsverzoek (zonder schorsende werking) wordt behandeld door de appelrechter, evenwel nog lopende de behandeling in eerste aanleg.

De strafrechtadvocatuur koestert de wraking als een machtig middel maar zelf heb ik het altijd een misbaksel gevonden. Juist het ontwrichtende effect op de procedure kan de verdediging ervan weerhouden dit middel in te zetten. Anders dan veel rechters denken zit de verdediging niet altijd te wachten op (weer) een aanhouding van de zaak. Nog afgezien van de verstoorde verhoudingen tussen rechter en verdediging die bij een afgewezen verzoek (derhalve in 94 % van de gevallen) gedurende de verdere procedure met elkaar te maken hebben. En voor zover advocaten de mening zijn toegedaan dat het de zaak van hun cliënt ten goede komt door op deze wijze aan de rechter de tanden te laten zien dan heb ik hiervoor het bewijs nog niet gezien.

Wat uiteraard niet wegneemt dat de partijdige rechter dient te worden geweerd van een oordeel over de zaak. Dat kan mijns inziens evenwel heel goed zonder wraking. Mij staat een systeem voor waarbij, indien de rechterlijke onpartijdigheid in het geding is, aan de desbetreffende rechter wordt verzocht zich te verschonen. Op dit verzoek -dat uiteraard nauwgezet in het proces-verbaal van de terechtzitting moet worden opgenomen- dient alsdan aanstonds (eventueel na een schorsing voor overleg met collega’s en/of sectorvoorzitter) door de rechter gemotiveerd te worden beslist. Bij afwijzing van het verzoek kan dit middels een appelschriftuur onderwerp worden van de strafprocedure in hoger beroep. Ik kan mij daarbij voorstellen dat op de eerste zitting in hoger beroep preliminair het verweer wordt gevoerd dat de behandeling in eerste aanleg nietig was wegens partijdigheid van de rechter. In situaties waarbij de partijdigheid van de rechter-commissaris of de rechter in hoger beroep in het geding is en een verzoek tot verschoning is afgewezen zouden respectievelijk de raadkamer van het gerechtshof (hangende de procedure in eerste aanleg) en de Hoge Raad (in een cassatieprocedure) hierover kunnen oordelen. Voorts zou het aanbevelenswaardig zijn als het openbare register van nevenfuncties van rechters nauwkeurig wordt bijgehouden en dat voorafgaande aan de zitting aan de verdediging wordt medegedeeld wie de behandelende rechters zijn. Voorts stel ik mij voor dat rechters de plicht krijgen informatie die van belang is voor de beoordeling van de (on)partijdigheid op eigen initiatief aan de verdediging en OM mede te delen. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan rechters die eerder vonnis hebben gewezen in zaken van medeverdachten of die in een eerder beroepsleven als advocaat te maken hebben gehad met de verdachte of de getuigen.

Ik meen dat het wegnemen van de dreiging van een ontwrichtende wrakingsprocedure ten goede van de verdediging zou kunnen komen. Nu lopen rechters in mijn ogen te vaak op eieren omdat zij niet het risico willen lopen om gewraakt te worden als zij laten blijken hoe zij op basis van het voorhanden dossier op dat moment tegen de zaak of de verklaring van de verdachte aankijken. Woorden als “ik hoor het u zeggen” zouden wat mij betreft vervangen mogen worden door “ik luister goed naar wat u zegt maar ik heb moeite u te geloven”. Als raadsman vind ik het alleen maar prettig als de rechter laat blijken wat hij van een verklaring vindt, zolang hij maar niet zijn eindoordeel over de zaak al klaar heeft. Met die informatie kan ik wellicht mijn voordeel doen en proberen de rechter ervan te overtuigen dat het toch anders ligt dan hij op dat moment denkt. Het komt thans nogal eens voor dat een cliënt van de minzaam knikkende rechter het gevoel krijgt volledig geloofd te worden, waarna een veroordelend vonnis extra hard aankomt.

‘Jantje zag eens pruimen hangen’. In de Klimopzaak zou in het systeem dat mij voor ogen staat ter zitting een discussie tussen verdediging en declamerende voorzitter zijn ontstaan waarbij wel mogelijk de laatste zou hebben aangegeven dat op basis van het dossier en de stand van zaken op dat moment een beeld is ontstaan van al te hebberige verdachten. Aan de verdediging vervolgens de taak dat beeld proberen bij te stellen. Daar is mijns inziens geen wraking voor nodig.

In De Verleiders (deel 1, want inmiddels is deel 3 in productie) springt de door Leopold Witte gespeelde voorzitter over de rechterstafel om de zich op zijn zwijgrecht beroepende verdachte op hysterische wijze duidelijk te maken wat hij van hem vindt. Kijk, dat hoeft van mij nu ook weer niet. Vermakelijk is het wel. Althans, voor de toeschouwer.

Marcel van der Voet
Strafrechtadvocaat