Oude wijn in oude zakken. Reactie op “Meer regie bij de zittingsrechter”

Oude wijn in nieuwe zakken kan goed smaken, maar oude wijn in oude zakken geldt een beetje voor deze tekst van mijn gewaardeerde medeblogger Korthals Altes.

De oude wijn is het probleem van zaken die op zittingen in het water vallen en geen doorgang kunnen vinden. Kortom, het probleem dat de landelijke strafprocessen al zo lange tijd verlamt.

De eerste oude zak is het voorstel van Korthals Altes om de regie bij de zittingsrechter terug te leggen zonder te analyseren waarom de strafrechter zijn regierol is kwijt geraakt. De problemen zijn voor een groot deel ontstaan door strafrechters die niet kunnen regisseren, niet kunnen organiseren, van een doorsnee strafzaak appelmoes maken en daarom nooit meer megazaken mogen voorzitten, niet geïnteresseerd zijn in de organisatorische voorfase van een strafzaak en zo verder. Om die reden zijn er ondersteunende medewerkers gekomen die natuurlijk fouten maakten en wier voorwerk door de volle strafkamer ter zitting werden overruled. Korthals Altes heeft gelijk dat de strafrechter in de loop van de tijd minder centraal is komen te staan en dat de oplossingen nieuwe problemen veroorzaken (of gaan veroorzaken). Maar de oorspronkelijke oorzaak van veel problemen in de strafrechtspraak is in wezen de strafrechter zelf.

De tweede reden die de wijnzak van Korthals Altes te oud maakt, is dat zijn idee van de regisserende strafrechter al vele malen is bepleit, besproken, bekritiseerd in vele publicaties van mijn hand (zie mijn oratie Organiseren en motiveren door de strafrechter. Enkele gedachten over de organisatie van het strafproces) en die van Rick Robroek. In onze publicaties is het probleem van aanhoudingen indringend geproblematiseerd en gezocht naar manieren waarop de verbeterde samenwerking tussen openbaar ministerie, strafrechter en advocatuur kan worden verbeterd, met onder anderen een gedeeltelijke hoofdrol voor de regisserende strafrechter. Met nadruk zeg ik ‘gedeeltelijk’. Niet elke planning van strafzaken vergt betrokkenheid van de strafrechter en niet elke organisatorische betrokkenheid van de zittingsrechter is nodig. Intern kunnen ook rechterlijke protocollen worden opgesteld die de ondersteunende medewerkers naadloos kunnen toepassen op de meeste strafzaken. Vanwege de ervaringen in het verleden kan de regierol niet in de vorm van een blanco cheque worden teruggeven. Meer autonomie dient gepaard te gaan met een verantwoordelijkheidsmodel waarin de strafrechter rekenschap moet geven over de wijze waarop zijn werkzaamheden zich verhouden tot de bestuurlijke kaders. Een pleidooi voor louter meer autonomie is daarom te makkelijk.

Over de door Korthals Altes gekritiseerde verkeerstoren, in de kern een planningsbureau, waarin OM en ZM samenwerken, heb ik twee concrete zorgen.

De eerste is dat de landelijke organisatie van de verkeerstoren tot op heden te weinig van de grond komt en mogelijk blijft steken in veel bestuurlijke woorden en modellen. De aanvankelijke bedoeling om eind dit jaar alle strafzaken via planningsbureaus van OM en ZM van de grond te krijgen zal in geen velden of wegen gehaald worden.

De tweede zorg is dat waar al wel een verkeerstoren werkt, de rechtbank van Korthals Altes, er minder efficiënt gewerkt lijkt te worden. Laatst vertelden advocaten dat in de voorfase getuigen worden verzocht, toegekend door de rechter-commissaris en eenieder klaar staat om deze pro-activiteit van de raadsman te verzilveren. Maar wanneer de raadsman vroegtijdig op het vinkentouw zit en voor zorgt dat het getuigenverhoor plaatsvindt voor de inhoudelijke behandeling, krijgt deze regelmatig te horen dat de inhoudelijke behandeling transformeert in een pro forma behandeling omdat het getuigenverhoor niet binnen het kennelijk intern afgesproken aantal weken is verricht. De klacht van deze advocaten lijkt terecht en geeft inderdaad te denken over de werking van een verkeerstoren. Tegelijkertijd valt niet uit te sluiten dat er ook rechters zullen zijn die de afgesproken termijn zullen aangrijpen om, met een beroep op de kwaliteit en vanwege de ervaren werkdruk, weigeren de zaak inhoudelijk te behandelen. Dit toont aan dat het succes van de verkeerstoren ook afhangt van de wijze waarop rechters daarin acteren en misschien moet dat wel leiden tot de grootste zorgen.

Het thema Dat Korthals Altes aansnijdt is oud en belangwekkend maar zijn oplossing werkt niet. De oplossingen moeten aanvangen met het nader problematiseren van de thematiek in juridische en organisatorische zin. Daarbij moet oog zijn voor de voor- en nadelen van een grotere regierol van de strafrechter, en zeker ook niet het belang worden vergeten van een uniform functionerend en financieel solide gerecht. Hoe dat moet, is vraag twee. Dat kan door aan meer autonomie een verantwoordingsplicht te verbinden, maar ook ben ik niet per se negatief over de verkeerstoren (zie bijvoorbeeld deze en deze bijdrage van mijn hand). Top-down of bottum-up, de oplossing zal toch vooral moeten komen van juridisch en organisatorisch leiderschap waarmee veel strafrechters uit hun schulp moeten worden getrokken teneinde in een deel van de strafzaken (pro-)actief te zijn. Verder moet veel aandacht komen voor organisatorische beslissingen in de voorfase door de strafrechter, niet zijnde de zittingrechter. Hoe kan de zittingsrechter gecommitteerd worden aan beslissingen van collega’s in of buiten de verkeerstoren als deze niet zelf de strafzaak behandelen?
Korthals Altes lijkt te geloven in een maakbare rechterlijke wereld, zonder het echte probleem van de moeilijk te activeren strafrechter te onderkennen. Daarmee heeft hij meer gemeen met de bedenkers van de verkeerstoren dan hij zelf lijkt te ervaren.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden