Meer regie bij de zittingsrechter

Op donderdag 19 juni jl. had in de Rijtuigenloods in Amersfoort een boeiende bijeenkomst plaats waar onder auspiciën van het ministerie van Veiligheid en Justitie uitgebreid over een op handen vernieuwing van het Wetboek van Strafvordering werd gediscussieerd. Vertegenwoordigers van alle betrokken en geïnteresseerde instanties (politie, OM, ZM, advocatuur, wetenschap etc.) spraken in veelal in heuse rijtuigen gehouden werkgroepen over een veelheid van aspecten die in de strafrechtpraktijk aan de orde komen. Een principiële verandering van ons systeem is niet de inzet, wel de herschikking van de bijna 600 artikelen die ons uit 1926 stammende wetboek inmiddels rijk is.

Vraag bij dit alles is onder andere wat wel en wat niet in de wet moet worden opgenomen. Tot die vraagpunten behoort de wijze waarop zittingen kunnen worden georganiseerd. Zo begint de schriftelijke voorbereiding van zittingen steeds meer in zwang te komen en was tijdens de bijeenkomst daarover in een van de rijtuigen ook duidelijk dat rechters daarop vaker proberen aan te sturen. Het gaat er hierbij om dat de officier van justitie en de verdediging hun standpunten in grote lijnen al voor de zitting op papier zetten.
Voordeel is dat duidelijk is waarover de discussie moet gaan. Men kan het dossier dus gerichter bestuderen, wat zeker bij de steeds uitdijende stroom ordners van vandaag de dag een hoop voorbereidingstijd scheelt. Verder bespaart het de aanwezigen het luisteren naar lange, niet zelden van papier voorgelezen en slecht gepresenteerde, requisitoiren en pleidooien.

Het lukt echter lang niet altijd de betrokkenen zover te krijgen. Dat lijkt nogal eens voort te komen uit een angst zich teveel in de kaarten te laten kijken. Daarnaast speelt het gevoel dat standpunten steeds mondeling moeten worden voorgedragen. De rechter zit bij zo’n weigerachtige houding min of meer met lege handen, want de wet geeft hem geen middel een schriftelijke voorbereiding af te dwingen. Een bepaling die de voorzitter van een meervoudige kamer de bevoegdheid verleent daartoe instructies te geven, zou dus kunnen helpen.
Daarnaast zal op de een of andere manier moeten worden vastgelegd dat niet alles mondeling hoeft te worden voorgedragen, mits de wederpartij maar altijd de gelegenheid heeft te reageren.
Deze werkwijze vergt onder meer ook dat de rechtbank (in het bijzonder de voorzitter) al in een vroeg stadium bij de zaak betrokken raakt – en blijft. De voorzitter moet tijdig kunnen bekijken of een schriftelijke voorbereiding zin heeft en moet worden geëntameerd. Dit geldt in ieder geval voor grote(re) zaken en voor (andere) zaken met een lange adem (waarin veel onderzoek plaats heeft). Die betrokkenheid kan tevens zin hebben in het kader van het vooronderzoek.
Het is zeer ongewenst dat zaken, als gevolg van door voorlopige hechtenis noodzakelijke, proformazittingen bij steeds wisselende combinaties en/of voorzitters terecht komen. Die wisselingen zijn bovendien inefficiënt, want ze dwingen een onnodig aantal rechters zich in de zaak te verdiepen en leiden tot een ineffectieve voorbereiding op de inhoudelijke behandeling. Ook de betrokken partijen lijden onder deze wisselingen, want een “wisselrechter” heeft maar een beperkte kennis van de zaak.

Helaas komen wisselingen van rechters bij langer lopende zaken nog veel te vaak voor. Ze zijn volgens mij mede oorzaak van het gevoel dat de werkdruk hoog is. Ik denk dat ze voor een deel in de hand worden gewerkt, doordat rechtbanken de planning van zittingen aan instellingen als verkeerstorens zijn gaan overlaten. Daarnaast lijkt het of de planning van zaken met het oog op zittingen meer van de agenda’s van officieren van justitie en raadslieden dan van de beschikbaarheid van de – met de zaak vertrouwde – rechter(s) afhangt.
Wat mij betreft zou de regie weer meer bij de rechter moeten worden gelegd en de planning meer primair aan zijn agenda moeten worden gekoppeld. Misschien lijkt het efficiënt dat zittingen door een instelling als een verkeerstoren worden gepland en gevuld – en dat zal voor veel kleinere zaken zonder complicaties ook wel het geval zijn. Als het echter betekent dat teveel verschillende rechters het dossier moeten bestuderen en een met de zaak bekende voorzitter niet van meet af aan de regie heeft en de inhoudelijke voortgang bewaakt, schiet de efficiency haar doel voorbij. Uiteraard hoort daar ook bij dat de voorzitter over die voortgang continu met de zaaksofficier en, waar van toepassing, de rechter-commissaris contact onderhoudt. Kortom, slogans als “Verkeerstoren ++” spreken mij niet zo aan. Het zou dus wel iets minder kunnen. Medewerkers van verkeerstorens hebben inhoudelijk ook geen inzicht in de zaken.

Dit alles is niet iets om in de wet vast te leggen, net zo min als het instituut verkeerstoren bij wet zou moeten worden geregeld. Het hangt echter nauw samen met de mogelijkheid voor en de bevoegdheid van de rechter, de voorzitter in het bijzonder, de regie over de zaak en de voortgang te voeren. En meer regie door de zittingsrechter is echt nodig.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter rechtbank Amsterdam