Toegang tot wet en regel in (de organisatie van) het strafrecht (deel 5)

5. Verplicht burgerschap voor de (rechterlijk) ambtenaar

In dit deel breng ik de vorige vier delen samen. We moeten niet al te moeilijk doen over de opstandige menselijke omgang met regels; dat is van alle tijden. Theologie, psychiatrie en rechte worstelen met dezelfde mechanismen en wisselen regelmatig van perspectief om het menselijk samenzijn te ordenen. Organisatiekunde is nieuw, maar daarin komen vele oude wijnen in nieuwe zakken voor, maar het residu van de oude wijn bestaat vaak uit oude inzichten uit andere disciplines. Alle nieuwe disciplines als bestuurskunde ten spijt (1), is er tot op heden geen handzame benadering hoe de opstandige rechters binnen de paleizen van justitie moeten worden geconformeerd aan de nieuwe gerechtelijke koersen als tijdige rechtspraak etc. Daarover gaat dit laatste deel, in het bijzonder gekoppeld aan het derde deel waarin het belangrijkste motto gold: elke burger wordt geacht de wet te kennen.

Ik vang aan met een voorbeeld, ogenschijnlijk uit het ongerijmde (2). Een chirurg in oorlogsgebied ziet de ene na de andere zwaargewonde binnengebracht worden, zijn morfine is op en hij heeft geen steriele apparatuur meer tot zijn beschikking. Is de naar vredesmaatstaven primitief uitgevoerde operatie dan geen topprestatie meer? Vanuit professioneel perspectief wel, maar vanuit het perspectief van de patiënt? Als hij anders in de loopgraven was doodgegaan heeft de zwaargewonde zijn leven te danken aan deze oorlogsarts en maalt hij niet om het grotere litteken en de helse pijnen. En als hij overleden was? Schragen de omstandigheden van dat moment dan niet de kwalificatie dat er optimale zorg is verleend?

Kwaliteit wordt naar tijd en plaats bepaald en kent daarom niet of nauwelijks absolute kwaliteitscriteria. Een verklaring is dat er altijd schaarste is geweest, of het nu om schone lucht of om tijd gaat. Die oorlog om het bestaan, dat gevecht om de schaarste billijk te verdelen, is van alle tijden en wordt miskend door eisers van meer geld en tijd die menen dat de inzichten in hun eigen tijdsgewricht maatgevend zijn.

Mijn conclusie is dat de kwaliteit van het recht niet afgemeten kan worden aan de particuliere inzichten van de individuele rechter (of in casu patiënt), maar mede bepaald moet worden aan de hand van de tijdgebonden politieke, maatschappelijke en lokale omstandigheden van de situatie. Morele dimensies kunnen niet eenvoudig gemonopoliseerd worden. Rechters die hun persoonlijke taakopvattingen vertalen in generieke grondslagen voor hun rechtsprekende wijze van werken overtuigen mij niet. Welke rol komt toe aan het geweten dat de individuele rechter tot Lutheriaanse standpunten zou kunnen brengen: “Hier sta ik, ik kan niet anders. Het moet op mijn wijze, anders kan ik niet de kwaliteit leveren die mij voor ogen staat.” Mij staat een iets ander rechtersprofiel voor ogen. Een individueel geweten is niet onbelangrijk, integendeel, maar wel graag in de sleutel van spraak en tegenspraak, en nog meer in het besef van de smalle marges van elke ontwikkeling. Anders komen we in willekeur te verkeren en vormt deze ‘gewetensvolle’ rechter binnen de organisatie een individuele voetzoeker.

De rechter die niet elke keer het organisatorische wiel wil uitvinden, maar zoekt naar organisatorisch gemeenschappelijke standpunten, hoe vinden we die? Zou Witteveen rond het thema van juridische kwaliteitsstandaarden dan toch gelijk hebben? Witteveen: “Traditie is gebaseerd op misverstand. Het zou heel goed mogelijk zijn de geschiedenis van de rechtstheorie te beschrijven als een reeks van dialogen die niet plaatsvonden of debatten die op een discussie tussen doven neerkwamen” (3). Veel interne discussies in de gerechten verlopen dan ook niet op hoogstaand niveau. Nu ik niet overtuigd ben wat een goede rechter of een goed vonnis inhoudt naar algemeen erkende juridische en organisatorische maatstaven, zal de rechter de pretentie moeten laten varen dat zijn particuliere werkwijze de organisatorische norm moet worden. De gekweldheid waarmee veel rechters tegenwoordig hun werk beleven is daarmee een particulier probleem. Hoe kan de rechter individuele bevrijding van zijn organisatorische gekweldheid bereiken? Dat kan zodra de rechter zich met hart en verstand probeert over te geven aan de bestuurlijke norm en deze in zijn handelen incorporeert.

Elk mens, vanaf de Joodse verhalen over de uittocht van het Joodse volk uit Egypte, elke slager, voetballer, vertegenwoordiger, ambtenaar, waaronder wij als magistraat, wil vrij zijn, eigenlijk net als elke mens die zijn leven het liefst wil vormgeven naar eigen inzicht. Bij de toenemende schaarste aan geld en menskracht lijkt onze vrijheid te verminderen. Ik kom aan het slot van deze bijdrage tot een ogenschijnlijke contradictie in terminis, hetgeen ook meteen mijn eerste motto van deze vijfde bijdrage vormt: de vrijheid ontstaat in de beperking. De beperking die de magistraat dwingt om verstandiger met schaarse tijd om te gaan, stukken slimmer te lezen, beter gebruik te maken van medewerkers, laat zien dat een groeiende vakervaring ons boven de materie plaatst en de met de jaren komende know how ons leert hoe we sneller en adequater kunnen werken. Alzo leren we dat routine niet afstompt maar de ruimte schept om sneller het kaf en het koren in de voorliggende dossiers te scheiden. Bovenal moet de rechter zich spiegelen aan de wettelijke en jurisprudentiële kaders die hij in zijn rechterlijke uitspraken aan de justitiabelen en andere rechtsgenoten voorhoudt. De burger wordt geacht de wet te kennen die op het gefragmenteerde rechtsgebied betrekking heeft en zich op die vaak onbekende wetten te oriënteren voor hij de geambieerde handeling uitvoert. Deze fictie is de kern van elke rechterlijke instrumentenkist. In datzelfde verband dient de rechter zich binnen de organisatie te oriënteren op de organisatorische spelregels rond de griffie, de juridisch medewerkers, de beperkingen die elke organisatie per definitie kenmerken, of het nu om schaarse zittingzalen gaat of om andere meer organisatorische gegevenheden die voortvloeien uit de bestuurlijke kaders. Mijn tweede motto luidt: de rechter wordt geacht de organisatorische wetten, regels en mores te leren kennen en eigen te maken.

Van Kafka in 1914 naar 2014. Toegang voor de rechter tot de organisatorische wetten
In het verhaal van Franz Kafka “Voor de wet” uit 1914 wil een man toegang tot de Wet en nadert de poort, waar de wachter hem keer op keer tegenhoudt en zegt dat hij niet nu maar mogelijk wel een volgende keer mag binnengaan. Gedurende de daaropvolgende jaren kijkt de man naar de wachter en verzucht vertwijfeld hoe hem de toegang geweigerd kan worden: de Wet moet toch altijd toegankelijk zijn voor iedereen? Naarmate hij het einde van zijn leven nadert neemt de glans van de Wet toe, onweerstaanbaar. In zijn stervensuur vraagt hij aan de wachter waarom niemand anders dan hij toegang tot de Wet heeft gevraagd. De wachter zegt hem: “Niemand anders kon hier toegelaten worden, want deze toegang was alleen voor jou bestemd. Ik ga nu weg en sluit de poort.”

Dit verhaal van Kafka is gedateerd in het najaar van 2014. In mijn bijdrage heb ik de zeggingskracht van dit verhaal willen beproeven voor juristen en diegenen die het recht organiseren. Als leidraad hanteerde ik de hypothese dat de norm uit wet, regel of afspraak de normadressaat, mens of organisatie, kan vrijmaken. De juridische en organisatorische vrijmaking vindt plaats via begrippen als afstand en beperkingen. Deze begrippen staan ogenschijnlijk op gespannen voet met het vrijheidsbegrip, ik heb geprobeerd de samenhang zichtbaar te maken en de betekenis daarvan voor het strafrecht en het organiseren van het strafproces.

De ware magistraat valt niet goed te vangen in enige enquête maar wordt gekenmerkt door onbevangenheid en verdraagzaamheid naar andere magistraten en de leiding en door uithoudings- en relativeringsvermogen jegens de organisatorische en maatschappelijke condities die wijzigen per tijdsgewricht. Het ligt niet aan de organisatorische regels die ons worden gesteld en die ons of ons magistratelijkheidsbegrip knechten, maar het ligt aan onze eigen geest of dromen over ambachtelijkheid die ons beperken, al dan niet gevoed door werklastbelevingsenquêtes. Pas als rechters de juridische, wettelijke en organisatorische kaders aanvaarden zoals ze zijn, niet omdat ze zo goed zijn of omdat de scheppers zo verheven zijn, maar omdat er nu eenmaal altijd regels zullen zijn, pas dan en niet eerder, zullen rechters zich als conflictbeslechters magistraat kunnen noemen, die relatief onthecht van enig organisatorisch of maatschappelijk kader onafhankelijk en onpartijdig officier of rechter kan zijn. Dat magistratendom moet dag na dag worden bevochten, vaak niet te bereiken, maar dat op weg zijn is ook magistratelijk van aard. Dit is het gevecht in ons eigen hoofd om onbevangen te zijn en te blijven, zodat we de poort van de wet uit het verhaal van Kafka binnengaan en ons vrij mogen voelen.

De vraag die mij steeds meer bezighoudt is of de publieke belangen van tijdige en accurate rechtspraak afhankelijk mogen zijn van de vraag of de rechter zich wel of niet committeert aan organisatorische wetten. De ontvankelijkheid voor de rechterlijke organisatie ligt bij de toegang zoekende rechter die wars van welke oorlogssituatie en gevecht om schaarste zijn eigen rechterlijke – twijfelende, zoekende en reflecterende – houding scherpt. In deze optiek is de leiding van het gerecht afhankelijk van de actieve rechter. Maar onbevangen activisme komt meestal niet vanzelf. In dat licht heb ik een verband gelegd met de juridische fictie uit de rechtszaal dat de (verdachte) burger geacht mag worden de wet te kennen en naleving heeft te garanderen. In gelijke zin mag de rechterlijk ambtenaar gedwongen worden zich actief op te stellen, actief burgerschap te ontwikkelen, om niet alleen zichzelf maar ook de rechterlijke organisatie verder tot bloei te brengen. Op dit moment wordt de ontwikkelingsgraad van de rechterlijke organisatie afhankelijk gesteld van de keuze van de rechter om wel of niet actief te participeren in de bestuurlijke noden van de organisatie. Misschien moeten we het verhaal van Kafka wel een nieuwe vertaling geven en in hoger tempo toegroeien naar meer drang en dwang en ‘van bovenaf, vanuit de leiding’ de rechter de organisatorische wetten binnentrekken. De rechter dient zich te schikken in de organisatorische ordening en deze tot bloei te brengen, in (af)gedwongen samenspraak met en afhankelijkheid van zijn (omgeving aan) ondersteuning en bestuurlijke randvoorwaarden. Mijn derde motto luidt: actief rechterlijk burgerschap in de rechterlijke organisatie is een plicht geworden (4). Deze plicht vergt een moderne vertaling zodat de in onze huidige tijd zo gepropageerde persoonlijke ontplooiing slechts wordt gehonoreerd als deze dienstig is aan de verdere ontwikkeling van de organisatie (5). Nota bene: dit wordt geen lopende bandmentaliteit. Individueel maatwerk spoort met de individuele toegang tot de organisatorische wet, zoals de wetzoeker bij Kafka zijn eigen toegang tot de wet was toebedeeld.

Er is een nieuwe sturing nodig die de rechter dwingt om met zijn talenten binnen de bestuurlijke kaders met oplossingen voor de dagelijkse problemen te komen en daarover bovendien verantwoording af te leggen. In mijn perspectief worden (rechterlijk) ambtenaren meer gedwongen vrijheid te nemen, te benutten en zelfoplossend vermogen te ontwikkelen binnen bestuurlijke verantwoordingsmodellen. Afgedwongen vrijheid en activisme door de leidinggevende poortwachter, hoe zou het verhaal van Kafka na 100 jaar herschreven kunnen worden? Herschreven op een wijze die een ander soort burgerschap voor de (rechterlijk) ambtenaar oplevert en gelijkenis vertoont met het burgerschap dat wordt opgelegd aan de burger aan wie die (rechterlijke) overheidsdienaar leiding dient te geven.

Misschien kunnen we toewerken naar een nieuwe overheidsepisode waarin (rechterlijk) ambtenaren voorbeeldig gedrag binnen hun organisatie vertonen. Met dat goede fatsoen kunnen ambtenaren burgers en rechters rechtzoekende burgers met meer recht en reden tegemoet treden om ze aan (wettelijke) fatsoensregels te houden waarmee deze hun leven zelfstandiger dienen vorm te geven.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Voetnoten:
1. De notitie van de NSOB, Governance in de rechtspraak, januari 2014, met typologieën als briljante, efficiënte en (maatschappelijk) relevante vonnissen klinkt leuk, maar levert geen enkel handzaam handvat op om de problemen binnen de gerechten op te lossen, hetgeen deze bestuurskundigen ook niet euvel geduid kan worden, ze kennen de rechtspraak niet van binnenuit
2. Ontleend aan M. Otte, Grenzen aan de professionele autonomie van de strafrechter?, Rechtsgeleerd Magazijn Themis 2011, 172-178
3. Willem Witteveen, Scholten en Cardozo: de dialoog die niet plaatsvond, in: Afshin Ellian, Timo Slootweg & Carel Smith (red.), Recht, beslissing en geweten. Beschouwingen naar aanleiding van Paul Scholten, Kluwer Deventer 2010, p. 309.
4. Zie M. de Wilde, Ethisch burgerschap: een wolf in schaapskleren, Sociologie 2013, p. 223 e.v; Bart van Heerikhuizen, afscheidscollege UvA, Sociologie 2013, p. 173 e.v.
5. K. de Keere, Van zelfcontrole naar zelfexpressie. Een analyse van de transformatie van de geest van het kapitalisme, Sociologie 2013, p. 50 e.v.