Toegang tot wet en regel in (de organisatie van) het strafrecht (deel 3)

3. Juridisch burgerschap

In het recht vindt al honderden jaren een intensieve discussie plaats over de rechtskracht en zeggingskracht van de wet. Evenals theologie en psychiatrie beogen juridische wetten weinig anders dan het menselijk samenzijn te ordenen teneinde een leefbaarder gemeenschap mogelijk te maken. De oude (natuurrechtelijke) vraag is of deze wetten een dieper en zedelijker bewustzijn codificeren of dat het om meer instrumentele en modificerende ordeningsregels gaat die een overheid afvaardigt om de samenleving in een bepaalde richting te sturen. Gecodificeerde normen zouden beter worden nageleefd omdat de normadressaat ze in het eigen geweten zou hebben verankerd. Gij zult niet stelen zou zodanig aansluiten bij het morele DNA van samenleving en opvoeding dat naleving en normhandhaving minder problemen zouden veroorzaken dan bijvoorbeeld de uitwendig ordenende waarden van de voorschriften uit de EU-regelgeving.
Deze onderscheiding komt mij steeds minder scherp voor. Sinds het Mozaïsche verbod om te stelen wordt er immers voluit gestolen, van kruimelaars tot multinationals. Gecodificeerde (natuurrechtelijke) normen leiden niet a priori tot een betere naleving. Het is ook pleitbaar de focus te leggen op de ordeningsinzet van wet- en regelgever. Bij de fijnmazige en ingewikkelde structuren die een hoogontwikkelde samenleving kent is publieke ordening van rechtsbelangen en gedragingen nodig om een veilige afwikkeling van gedragingen te bereiken. Ook de Bijenwet kent een varia aan gebodsvoorschriften die slechts tot wasdom komen indien de normadressaat zich oriënteert op de spelregels van het maatschappelijke deelterrein dat hij wil betreden en die hij op grond van vakvereisten geacht wordt te kennen en zich eigen te maken. Elke jurist kent de fictie dat de burger geacht wordt de wet te kennen, maar die fictie is wel bittere ernst. Onze samenleving is opgeknipt, gefragmenteerd zo men wil, in vele deelterreinen die slechts betreden mogen worden als de normadressaat zich de normen van dat terrein eigen maakt en naleving garandeert. Deze Garantenstellung ligt ten grondslag aan de grootschalige verwerping van verweren als psychische overmacht en afwezigheid van alle schuld. De bijenimker, de weggebruiker, de verpleegkundige, de doorsnee beroepsbeoefenaar kan uit het vigerende aansprakelijkheidsbestel ternauwernood ontsnappen via een kleine escape van het stelsel van excepties. Een beroep op schuld- en strafuitsluitingsgronden slaagt zelden of nooit, mede omdat de Nederlandse rechter zoveel mogelijk eigenrichting wil tegengaan.

Langs deze lijnen kom ik tot het volgende denkkader. De toename van de bevolking, de ontwikkelingsgraad van de samenleving en de groei van het aantal beschermenswaardige publieke rechtsgoederen heeft geleid tot een exorbitante wetten- en regelgroei die pas tot wasdom komt als de burger zich deze eigen maakt. De fictie dat de burger wordt geacht de wet te kennen genereert het perspectief van de vrije burger die toegang tot de wet zoekt om het doel van de wet te helpen realiseren, de samenleving te helpen ontwikkelen en daardoor er ook zelf van te profiteren. In deze benadering is het dienen van de wet eveneens dienstig aan de persoonlijke ontwikkeling. De verantwoordelijkheid ligt bij de burger, bij de normadressaat, ingegeven door lange tijdlijnen dat slechts een actieve burger als drager van rechten en plichten, gemeenschapsdoelen kan laten slagen. Deze participatie langs lijnen van de wet is niet vrijblijvend en wordt niet overgelaten aan de burger zelf. In vroeger tijd werd dit commitment aan de wet afgedwongen met tucht, in recente generaties wordt de hoop op actiever burgerschap gesteld via middelen van overtuiging en verleiding, afgespiegeld in democratische processen en inspraakprocedures.

De overeenkomsten tussen theologische, psychiatrische en juridische verhalen zijn evident. Deze overleveringen leren dat een samenleving ordening behoeft om anarchie te voorkomen en de gemeenschap langs lijnen van geleidelijkheid verder te kunnen ontwikkelen. Daartoe worden generieke maar in het bijzonder legio speciale regels gegeven, vroeger van theologische aard, later van gedragskundige aard en thans bovenal van juridische snit gesneden. Of de geadresseerde van de normen deze internaliseert is de continue vraag die het mensdom vanaf den beginne vergezelt. Indien de normadressaat de norm onderschrijft, en er in zekere zin naar verlangt deze te internaliseren in het eigen bestaan en handelen, is het rendement voor hem en voor de samenleving optimaal. Thans zijn we echter aangekomen bij een samenleving waarin de mondige rechtsgenoot meer ongehinderd zijn eigen normen kan stellen zonder deze te hoeven spiegelen aan algemenere inzichten, want God is niet direct meer als richtsnoer aanwezig en de huidige samenleving lijkt die van de nomaden uit het Oude testament ontstegen. Hoe werkt dit gegeven in een rechterlijke organisatie uit?

Of de hoop op meer binding van de burger aan de wet slaagt, laat ik in dit vijfluik over de wet en regel buiten beschouwing, maar het juridisch grondprincipe staat recht overeind, te weten dat de burger wordt geacht de wet eigen te maken teneinde een volwaardige rechtsgenoot te worden en te blijven. Op deze cruciale vooronderstelling kom ik morgen en overmorgen in de laatste twee delen van dit vijfluik terug, waar het gaat over de betekenis van het organisatorisch wetsbegrip voor de ontwikkeling van de rechterlijke organisatie.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden