Toegang tot wet en regel in (de organisatie van) het strafrecht (deel 2)

2. Theologische en psychiatrische betekenis van het wetsbegrip

Het ordenen van menselijke en functionele omgangsvormen en omgangsnormen is oud en veelkleurig. De oudste discipline is die van de godsdienstwetenschap, de juristerij heeft er een vertaling van gemaakt in de opeenvolgende stelsels van rechtsbetrekkingen en de psychiatrische discipline is de laatste loot aan de tak van de universele vraag naar normatieve horizontale en verticale normbindingen.

De Joodse psalmen doen verslag van de liefde voor en het verlangen van de psalmdichter naar de wet (psalm 119). Integere naleving van de wet genereert vrijmaking en verlossing van de beperkingen die de mens ondervindt in het dagelijks handelen. Die wetten waren van God gegeven. Waartoe? Niet om de mens te knechten of klein te maken. De wet beoogt in de eerste plaats ordening van het menselijk samenzijn (1). In de tweede plaats boden de verboden bij naleving uitzicht op een beter leven. Wie niet steelt of doodt leeft meer in harmonie met zijn omgeving. Deze normen vielen niet rechtstreeks in goede aarde, immers vanaf een berg gegeven, terwijl het volk liever een gouden kalf bouwde. De verboden dienden daarom gepaard te gaan met norminprenting en normhandhaving. De laatste twee waren voorbehouden aan leiders, profeten, richteren, priesters en koningen. Zij hadden een dagtaak aan het voorleven en het laten naleven van de spelregels. Verbod en voorschrift gedijden het beste bij degenen die de normen verlangden na te leven en daartoe de normen in het eigen handelen incorporeerden. Tegenwoordig beladen begrippen als schuld waren toen nog heel gewoon en betekenden niet veel anders dan dat de mens vrijwel permanent in gebreke blijft om jegens zijn volksgenoten een vreedzame houding aan te nemen. Daarmee is er schuld in de zin van tekortgeschoten verantwoordelijkheid jegens de naaste. Schuld als verbond tussen God, mens en medemens hield met vorenstaande connotatie een wederkerigheidsrelatie in: God belooft met de gegeven normen een beter leven, de mens betuigde met naleving daarvan eer aan God en medemens. Geboden en verboden als prescriptieve instrumenten voor een leefbaarder wereld, waarbij de overtreder slechts door een hernieuwd schuldverbond weer binnen de geloofsgemeenschap wordt getrokken. De zondaar moet de wet omarmen, de vrijmaking daarvan onderkennen en er naar leven.

Toen de (forensische) psychiatrie in latere samenlevingen vaste voet aan wal zette, ging het vanaf dat moment om een gelijksoortige interferentie tussen wettelijke norm en gedragsontwikkeling, net als in de verhalen van Joods-Christelijke origine. Het nieuwere equivalent voor schuld werd dat van de verantwoordelijkheid die een mens qualitate qua toekomt en hem tot een gemeenschapsmens maakt of hoort te maken (2). Aansluiting zoekend bij Levinas legt de voormalige hoogleraar Forensische psychiatrie Antoine Mooij een verband met het fundamenteel niveau van de schuld als een van de kenmerken van het mens zijn. Schuld behelst een wederkerigheidsrelatie tussen de mens en zijn omgeving.
Zowel theologie als psychiatrie gaan uit van de menselijke zwakheden die hem tot een gevaar voor zichzelf en zijn omgeving kunnen maken. Het is een positieve ontwikkeling dat de psychiatrie anno 2014 minder uitgaat van de integrale (her)vorming van de mens maar steeds meer van het ontwikkelen van mentale prothesen die het wenselijke gedrag conditioneren. Bij behandeling van pedoseksuele geneigdheid gaat het niet om het ‘genezen’ maar om het tegengaan van de situaties waarin bijvoorbeeld sprake is van grooming. Uit risicotaxatiemethoden destilleren gedragskundigen bepaalde wetmatigheden die de recidiverisico’s substantieel verhogen. Om die negatieve wetmatigheden te kantelen worden regels en voorschriften opgeworpen die niet zelden resulteren in bijzondere voorwaarden in een vonnis. Naleving van die bijzondere gedragsvoorschriften leidt tot vrijmaking van strafwaardig gedrag, maar is alleen consequent succesvol indien de patiënt deze normen internaliseert en indien de normsteller de voorwaarden consequent handhaaft en norminprenting bevordert. Een van de grootste problemen binnen de psychiatrische behandeling van terbeschikkinggestelden is te komen tot schuldbesef, lijdensdruk, schaamte over de schande, zonder dat de dader/veroordeelde neergedrukt of geknecht wordt. Schuld moet uiteindelijk tot bevrijding leiden wil er herstel tussen dader en samenleving ontstaan. Schuld, schaamte en schroom zijn gerelateerd aan bevrijding, kwijtschelding en vergeving. De behandeling door de geneeskundige wordt kansrijker als daad en dader worden gedissocieerd: de dader moet zijn daad veroordelen. Van Tongeren zegt het met een morele lading: “het is de genade van de schaamte die iemand overkomt en hem ontvankelijk maakt voor verandering” (3). De patiënt moet (leren) inzien dat veel uiterlijke problemen van werk, inkomen, wonen en relaties frequent te herleiden zijn tot innerlijke conflicten en andersom. Bij het overwinnen van die conflicten wordt een nieuwe verstandhouding tot zijn omgeving en medemensen denkbaar. In dat verband merk ik op dat het eigensoortige van de dader gezocht noch gevonden moet worden in het “ik” van het egocentrische zelf maar in de diepere grond van de aan de samenleving deelhebbende mens (4). Bij veel zittingen blijkt dat de dader, ondanks het veelvuldig sociaal wenselijke karakter van de uitlatingen, zichzelf zoekt en niet zichzelf in relatie tot de medemens. Het besef dat de eigen psyche slechts kan groeien in de verbondenheid met de persoon van de medemens kan de veroordeelde dienstig zijn bij het hervinden van zijn verantwoordelijkheid.

De overeenkomst met de theologie en zijn normatieve en tijdgebonden invulling van universele normen dringt zich op. Normaliteit en deviaties van het gemiddeld normaal geachte gedragspatroon zijn afhankelijk van de vigerende psychiatrische standaard, zoals thans grofweg neergedaald is in DSM-IV of V. DSM is tijdgebonden van aard en mee afhankelijk van maatschappelijke opvattingen over ongewenst gedrag. Verschillende psychiatrische aandoeningen van een halve eeuw geleden behelzen nu geen deviatie meer. Maar indien de verslaglegging als een redelijk gedragen codificatie van deviaties heeft te gelden, en, dit is belangrijk, als de patiënt in het dagelijks leven last heeft van de toegedichte stoornis, of de omgeving last heeft van het gewraakte gedrag, is er een valide grondslag om tot behandeling over te gaan. Deze behandeling kan alleen slagen als de behandelde patiënt deviatie en verantwoordelijkheid daarvoor erkent en hij lijdensdruk aanvaardt.

Morgen ga ik in op de wijze waarop in het recht bindingen van mens aan regels zijn vormgegeven.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Voetnoten:
1. In casu voor een ongeordend en ongeorganiseerd volk dat de slavernij van Egypte was ontvlucht en als nomaden aan een lange woestijntocht van 40 jaren begon.
2. A.W.M. Mooij, Psychiatrie, recht en de menselijke maat, Boom 1998, onder meer pp. 109-117, 227.
3. P. van Tongeren, Deugdelijk leven. Een inleiding in de deugdethiek, Sun 2003, hoofdstuk VI.4 respectievelijk blz. 146.
4. M. Buber, De weg van de mens, ’s-Gravenhage 1953, p. 38.