Toegang tot wet en regel in (de organisatie van) het strafrecht (deel 1)

1. Inleiding

Burgers hebben het niet makkelijk. De overheid treedt terug, gedwongen door minder geld en omdat de samenleving minder maakbaar is dan in de jaren zestig werd gedroomd. Natuurlijk, elke overheidsdienst schetst nog steeds grootse vergezichten over hoe dat onderdeel klantgericht is en over enkele jaren nog beter, schoner en witter het maatschappelijk vuiltje gaat schoonwassen. Klinkende overheidsleuzen over wenselijk gedrag van burgers en normen en waarden lopen echter regelmatig vast in de modder.
In slechts enkele jaren is niet alleen de burger opstandiger en ontevredener geworden, maar ook binnen het publieke domein rommelt het. Artsen, onderwijzers en rechters maken zich druk over de werkdruk en de geringere kwaliteit die ze kunnen leveren en bovenal over dat vermaledijde management dat van die teloorgang de schuld is.
Deze situatie genereert de ironie dat burgers die ontevreden zijn met hun omgeving en met de overheid moeten worden opgevoed door ontevreden overheidsdienaren. Er wordt vaak geschreven over de ontevreden samenleving vanuit de machteloze overheid die de burgers niet in de goede richting ziet bewegen, maar het is minstens zo boeiend om te spreken over de ontevreden ambtenaar. Hoe kan de ontevreden burgerij de ‘goede’ weg worden gewezen als de ambtenaar op soortgelijke wijze klaagt over zijn eigen leiding?

Wie chroniqueur van organisatorische ontwikkelingen in het strafrecht wil zijn heeft het niet makkelijk. De bestuurlijke bovenlaag wil bij voorkeur geschilderd worden als wijze en vooruitziende notabelen van hun tijd. De bestuurlijke beleidsnota’s geven mogelijk vanwege voornoemde behoefte weinig zicht op de spanningen op de gerechtelijke werkvloeren, maar reppen van grootse vergezichten die echter alras weer moeten worden ingeslikt. Vele grootse organisatorische projecten lopen frequent vast in de modder van de aanbouw. Wie de honderden ingezonden reacties leest die onder het Leeuwarder manifest hangen, ziet mogelijk een realistischer, rauwere en onaangenamere werkelijkheid van spanningen en een stagnerende (straf)rechtspraak. De chroniqueur die zich overgeeft aan een indringende schets van beide kanten loopt het gevaar van verbanning naar de woestijn.

Sinds 2007 heb ik me overgegeven aan analyses van de stagnerende rechterlijke organisatie. In deze beschouwingen heb ik de spanningen veelal cultuur-sociologisch geduid, in het bijzonder in mijn tweede oratie (1), waarbij ik ook aansluiting heb gezocht bij economische invalshoeken of bij het politicologische spectrum (2). Ik ben nog steeds de opvatting toegedaan dat er niet veel verschil is tussen de spanningen in het publieke domein in het algemeen en die in de rechterlijke organisatie. Enerzijds wordt veel werk topdown georganiseerd en zijn veel professionals formeel van hun (mede)zeggenschap over de organisatorische condities beroofd. Anderzijds komt het klagen van veel professionals voort uit gebrek aan creativiteit alsmede uit een gegroeid individualisme dat een bredere grondslag kent dan alleen de rechtspraak tekent. Als ik het goed zie sta ik nog steeds alleen in mijn opvatting dat de rechtscultuur interfereert met de organisatorische structuur waarbinnen wordt rechtgesproken. Dat de strafrechter in juridisch opzicht een meer regisserende rol in de organisatorische voorfase van de strafzitting moet vervullen stoel ik op het Wetboek van Strafvordering maar die bepleite juridische rol kan alleen tot wasdom komen met een organisatorisch pro-actieve attitude. Anders gezegd, de rechter die klaagt over de organisatorische omgeving zal meestal niet juridisch pro-actief zijn in het ecarteren van zittingsperikelen. Die problematische interferentie tussen cultuur en structuur, tussen collegiale en juridische opstelling van de rechter, heb ik sinds 2007 en in mijn oratie besproken vanuit burgerschapsopvattingen. Die invalshoek wil ik in mijn bijdragen deze week verder problematiseren.

Als onkerkelijke, en mogelijk voor de jurist heterodox overkomend, wil ik de ordening van de juridische werkgemeenschap in de aflevering van morgen spiegelen aan de ordening van menselijk gedrag vanuit andere disciplines en bezien of de overeenkomsten en verschillen lessen opleveren voor de rechterlijke organisatie. In de derde en vierde aflevering van woensdag en donderdag sta ik stil bij de huidige ontwikkelingen in de rechterlijke organisatie. In de slotaflevering van vrijdag 4 juli ga in op een nieuw burgerschapsbegrip voor de rechterlijk ambtenaar.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Voetnoten:
1. Organiseren en verantwoorden door de strafrechter. Enkele gedachten over de organisatie van het strafproces, oratie RUG 23 november 2010, Boom Den Haag 2010.
2. Rechterlijke attitude en professionele autonomie, in liber amicorum A.H. van Delden, Boom 2007; De duur van het Nederlandse strafproces, pre-advies voor de Nederlands Vlaamse Vereniging voor Strafrecht (met J.W. Fokkens), Wolf Publishers 2009; De nieuwe kleren van de rechter. Achter de schermen van de rechtspraak, Boom Amsterdam 2010; De verantwoordelijke strafrechter als middelpunt van de rechterlijke organisatie, Trema 2011, pp. 87-94; De (on)zin van marktwerking en kwantificering in de rechtspraak, Ars Aequi 2013, pp. 326-331.