Doet de strafrechter de verkeerde dingen?

In 2009 werden er in Nederland ruim 10 miljoen misdrijven gepleegd. Nauwelijks 1% daarvan, oftewel ruim 126.000 zaken, werd door de rechter afgedaan. In ruim 90% van die gevallen volgde een veroordelend vonnis. Van de ca. 115.000 schuldigverklaringen, waarbij een straf werd opgelegd, bevatten de vonnissen in 45000 gevallen een geldboete; ruim 40000 keer een taakstraf en 21000 keer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In de overige gevallen (6%) gaat het om hechtenisstraffen, geheel voorwaardelijke gevangenisstraffen en ander kwantitatief gezien “klein grut”.

Bij de (deels) onvoorwaardelijke geldboetes, is ruim 90% onder de 1000 euro. Van de taakstraffen is ruim 87% onder de 120 uur en van de vrijheidsstraffen is het onvoorwaardelijk deel in 88% van de gevallen korter dan 6 maanden.

Van die ruim 115000 schuldigverklaringen eindigt in totaal derhalve nog geen 10% in een geldboete van meer dan 1000 euro, een taakstraf van meer dan 120 uur, of een vrijheidsstraf van langer dan 6 maanden. Meer dan 100.000 schuldigverklaringen eindigen in een aanzienlijk minder zware sanctie.

Tegen deze achtergrond komt de vraag op waarom zaken met dit soort, relatief lichte, sancties eigenlijk nog door de strafrechter worden afgedaan. Immers het Openbaar Ministerie beschikt sinds 2008 over de strafbeschikking die het mogelijk maakt om, behoudens de beperkingen gesteld in het Besluit OM- afdoening, alle misdrijven waarop een gevangenisstraf van maximaal 6 jaar is gesteld, zelf af te doen. Ruim 80% van alle delicten die de rechter afdoet vallen in die categorie.

Daarbij kan het OM, net als bij de transactie, het hele terrein van de geldboete bestrijken, taakstraffen tot een maximum van 180 uur opleggen en ook de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid in beperkte mate toepassen. Op de website van de rechtspraak wordt het bereik van de strafbeschikking op ongeveer 10.000 zaken geschat. Echter tegen de achtergrond van bovenstaande cijfers zouden er wel tenminste zo’n 70.000 schuldigverklaringen aan het rechterlijk oordeel kunnen worden “onttrokken”. Dat betekent dat er “slechts” ongeveer 45.000 overblijven.

Rechterlijke capaciteit is schaars en duur en afdoening door de rechter kost bovendien veel extra tijd. Gemiddeld duurt een politierechterzaak – en daar gaat het hier natuurlijk over – ruim 7 maanden langer dan een OM afdoening. Vanuit het adagium “Justice delayed is justice denied” is dat ongewenst als het OM vrijwel hetzelfde resultaat kan bereiken.

Zouden we er daarom niet naar moeten streven om alle zaken die onder het bereik van de strafbeschikking vallen, in principe niet meer aan de rechter voor te leggen en initieel door het OM te laten afdoen, uiteraard behoudens krachtige contra-indicaties? En zouden we vervolgens, als die doelstelling is gerealiseerd, niet moeten nadenken over de invulling van de vrijgevallen rechterlijke capaciteit? Uitgaande van 20% verzetzaken krijgt de rechter dan nog maar zo’n 60.000 zaken op zijn bord.

Kan dat rechterlijk menu door OM en opsporing niet worden aangevuld met nog eens 30.000 zaken die er maatschappelijk echt toe doen en die thans blijven liggen. Met 800.000 geregistreerde, maar niet opgeloste misdrijven, moet dat toch mogelijk zijn, zeker met een goed georganiseerde nationale politie. De interventiequote, het aantal reacties op gepleegde misdrijven, door OM en rechter samen, zou daardoor behoorlijk toenemen en daarmee ook het resultaat van de handhavingsinspanningen van de strafrechtsketen als geheel.

Deze vragen klemmen temeer indien we bedenken dat de overheidsfinanciën in de komende periode krapper zullen worden. Verdeling van schaarste ziet ook op de beperkte capaciteit van de rechter. In dat licht bezien is de vraag waarvoor die capaciteit nu precies wordt ingezet van groot belang en kan de beantwoording ervan niet vroeg genoeg beginnen.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie