Magistratelijke outsourcing: de secretaris als verlengde arm van rechter en officier

Collegablogger Korthals Altes stelt in zijn laatste bijdrage een belangrijk punt aan de orde. Waarom moeten hoogbetaalde officieren van justitie, rechters en griffiers (en om nog maar te zwijgen over de dure zittingscapaciteiten) zich bezig houden met zaken ten aanzien waarvan op voorhand kan worden vastgesteld dat die niet tot een veroordeling kunnen leiden? Helemaal in lijn van dit blog komt Korthals Altes tot de slotsom dat de daarmee gemoeide tijd en financiën heel wat nuttiger kunnen worden ingezet. Zijn analyse is dat dergelijke inefficiëntie kan worden voorkomen als de beslissing over het wel of niet dagvaarden niet wordt genomen door een secretaris, maar door een officier van justitie. Daarmee sluit hij aan op de bredere roep tot eigenaarschap van rechter en officier van justitie. Die roep is terug te voeren op de oratie van Otte uit 2009 en vindt de afgelopen tijd weerklank in stukken van de NVvR, de Taskforce ZM-OM, het KEI-project en in uitgesproken bijdragen in een hoorzitting van de eerste kamer over toekomst van de rechtspleging. Het lijkt er op dat in het oorspronkelijke pleidooi van Otte wel meer de samenwerking tussen secretaris en rechter centraal wordt gesteld, terwijl de rol van de secretaris (zowel bij OM als ZM) in de recente pleidooien onzichtbaarder is geworden en een te grote rol van die secretaris zelfs als een van de oorzaken wordt gezien van de huidige problemen in de strafrechtspleging.

Ik heb zelf in het verleden juist gepleit voor een grotere rol van de (gerechts)secretaris daar waar het gaat om beslissingen die ter zitting kunnen worden teruggedraaid en het moge niet verbazen dat ik enkele kanttekeningen zou willen plaatsen bij de op het eerste gezicht aansprekende stelling van Korthals Altes. Kanttekeningen die ook te plaatsen zijn bij de eendimensionale roep om eigenaarschap en de daarbij aansluitende marginalere rol van de ondersteuning.

Om te beginnen is daar de financiële realiteit. De strafrechtspleging heeft te maken met een beperkt budget en met zo’n beperkt budget is het niet reëel om de strafrechter en de officier van justitie in alle zaken en dan ook nog bij alle onderdelen van die zaken een leidende rol te geven. Het is al bijzonder dat bij sommige bagateldelicten überhaupt een rechter betrokken is en het is ook niet voor niets dat in de afgelopen decennia de rol van de strafrechter kleiner is geworden. Over steeds minder zaken oordelen steeds minder rechters en daartoe is financieel ook alle reden. Misschien dat in de toekomst de staatsfinanciën weer wat meer lucht geven, maar hier zullen we het voorlopig mee moeten doen. Het roep van eigenaarschap is niet haalbaar, althans niet op de wijze waarop dat thans vaak wordt bepleit.

Maar het geld is niet het belangrijkste. Belangrijker is dat het eigenaarschap van de rechter met een blik op het Wetboek van Strafvordering op verschillende manieren kan worden ingevuld. Het klassieke uitgangspunt is om alle strafvorderlijke opdrachten daadwerkelijk door de rechter en de officier van justitie te laten verrichten. Diegene die dat bepleiten moeten zich echter wel realiseren dat de praktijk al vele jaren een andere is: denk om te beginnen aan de plaatsvervangend rechters en officieren van justitie die optreden als ‘echte’ rechters en officieren. Voor die plaatsvervangend rechters geldt dat hun rechterlijke onafhankelijkheid niet rechtspositioneel is gewaarborgd, terwijl voor die plaatsvervangend officieren van justitie geldt dat zij niet zelden de rang hebben van een gewoon ambtenaar en nog aan het begin van hun carrière staan. En laten we ook vooral niet vergeten dat de officier van justitie en rechter veel werk uit handen wordt genomen door de secretaris bij het ontsluiten van het dossier en het schrijven van requisitoir of vonnis. ‘Echte’ officieren van justitie staan er allang niet meer alleen voor. En afgevraagd moet worden of de ‘echte’ rechters het dossier wel van a tot z kunnen lezen bij de huidige werklast, laat staan het voor hun rekening nemen van de inhoud van het vonnis. Daar is die werklast en de mate van ondersteuning ook niet op ingericht: de gerechtssecretaris is allang niet meer zittingsklerk van vroeger die slechts het proces-verbaal opmaakt en als de rechter geluk heeft het kader van het vonnis aandraagt waarin de door de rechter aangedragen overwegingen en beslissingen worden geïnsereerd. De griffier is in de loop van de tijd veel meer een eigenstandig professional geworden dan het klassieke model van strafvordering formeel indiceert. Het terugdraaien van de huidige praktijk lijkt ook daarom niet realistisch, maar degenen die de klassikale uitleg van Strafvordering voorstaan moeten in hun denkraam echter ook de uiterste consequentie trekken en dat is afzien van de moderne ondersteuning die ze materieel echter als onmisbaar zijn gaan beschouwen. Ik schrijf met nadruk materieel, want zo nu en dan hoor ik rechters in ieder geval zeggen dat men eigenlijk de juridische voorbereiding niet nodig heeft, sterker nog, dat men die vaak nog even na de eigen voorbereiding raadpleegt.

In een andere door mij voorgestane en minstens zo pleitbare, althans modernere, lezing van het Wetboek van Strafvordering zou de rechter en officier van justitie er ook voor kunnen kiezen om bepaalde aspecten van hun werk uit te besteden. Strafvorderlijke outsourcing volgens de maatstaven van de ‘inhurende’ rechter. Als een echte eigenaar in de echte wereld. En eigenlijk dus zoals ze nu al doen. De rechter en officier van justitie als eigenaar, maar met de secretaris als verlengde arm. Wellicht zou de rol van de secretaris daartoe transparanter moeten worden gemaakt en worden geformaliseerd. De vraag is echter of dat nodig is, omdat ik in strafvorderlijk opzicht niet zo veel verschil zie tussen de ontsluiting van het dossier en het doen van juridisch vooronderzoek door de secretaris aan de ene kant en het namens en in nauw overleg met de rechter en de officier van justitie nemen van redresseerbare beslissingen aan de andere kant. Misschien dat, gelet op die redresseerbaarheid, de tweede vorm van ondersteuning wel minder fundamenteel van aard is dan de eerste vorm. In dat geval laten rechter en officier immers stukken van het dossier ongelezen en maken zich ten aanzien van het juridisch kader in grote mate afhankelijk van de voorbereidende werkzaamheden van de secretaris. Het is dan ook vreemd dat het maken van een juridische voorbewerking gebruikelijk is en nauwelijks vragen oproept, terwijl het in zeker mate uitbesteden van juridische beslissingen not done is.

Meer dan een juridische grondslag vereist het invullen van het eigenaarschap op deze manier een bepaalde actieve opstelling van de rechter en officier richting de ondersteuning. Het ondersteunend werk wordt immers onder hun verantwoordelijkheid verricht. Het zijn hun eigen beslissingen en niet die van de ondersteuning of afgeleid van het management. Daarbij hoort dus een versterking van de band tussen rechters en officieren en hun ondersteunend personeel. Terugkoppeling en het voortdurend in gesprek blijven over de wijze waarop de secretaris in de voorfase moet acteren is dan de wijze waarop rechter en officier hun eigenaarschap zouden moeten vervullen. Het aan de orde stellen van het niet aansluiten van de eerder door een secretaris genomen beslissing op die van de rechter of de officier kost misschien meer energie dan klagen over het ondersteunend personeel, maar in ieder geval minder tijd en geld dan het werk doen zonder die ondersteuning.

Rick Robroek
Stafjurist Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg