Tien antwoorden van de strafrechter (deel 4)

Hieronder vindt u het vierde interview in de serie “Tien antwoorden van de strafrechter”. De opzet is analoog aan “De tien geboden” in Trouw en de tekst bevat een tiental vaste vragen. De tien vragen zijn deze keer gericht aan mr. F.G. Bauduin, raadsheer-plaatsvervanger bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank Amsterdam.

Kort curriculum

1973-1981 Raio Maastricht/ Amsterdam.
1981-1984 Rechter rechtbank Amsterdam
1984-1988 Rechter rechtbank Antillen
1988-1996 Vice-president rechtbank Amsterdam
1996-1998 ICTY Den Haag
1998-2011 Vice-president rechtbank Amsterdam
Vanaf 2011 Raadsheer-plaatsvervanger gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en rechter-plaatsvervanger rechtbank Amsterdam

Wie is uw leermeester?

Ik ben een omgekeerde Raio in die zin dat ik mijn loopbaan in september 1973 ben begonnen op het Parket Maastricht Er was destijds een tekort aan officieren van justitie. Mijn eerste leermeester was een officier van justitie der eerste klasse. Je zat bij hem op de kamer en liep in alles met hem mee. Daarna voor mijn griffiersjaren naar Amsterdam. Vanaf januari 1976 is die rechtbank altijd de basis geweest waarop ik terugkeerde. Zowel civiel als in straf had ik daar geweldige leermeesters. Vice-presidenten van naam en faam, met natuurlijk als president de onvolprezen Borgerhoff Mulder. Hij bracht mij iets bij wat ik tot adagium heb verheven : “kalm blijven en rustig doorademen “.

Hoe organiseert u uw eigen werk?

Organiseren is niet mijn sterkste punt. Ik denk nogal associatief en zo organiseer ik ook mijn werk. Op de een of andere manier heb ik wel enorme werklust en ik kan veel werk verzetten. Het lukt mij om snel omvangrijke dossiers tot mij te nemen en de inhoud daarvan te beheersen. Op de zitting, in raadkamer tot en met het maken van de einduitspraak ken ik het dossier. Daarna vliegt het weer snel uit mijn hoofd. Wat mij helpt is dat ik veel vertrouwen heb in het werk van mijn collegae en van de vaak voortreffelijke secretarissen. Wat zij aan voorbereiding doen, doe ik niet dunnetjes over. Wat ook helpt is dat ik op de zitting makkelijk kan delegeren aan collegae.

Wat is uw belangrijkste doel bij het behandelen van een strafzaak?

Een eerlijk proces waarbij procespartijen en de samenleving de overtuiging hebben dat ik als rechter zonder aanziens des persoons met open oog voor alle betrokken belangen in onafhankelijkheid een beslissing neem.

Hoe ervaart u de opstelling van het openbaar ministerie?

Ik vind dat het magistratelijke van het OM (denk bijvoorbeeld nog eens aan officier van justitie Abspoel) aan slijtage onderhevig is. Dat komt volgens mij vooral door de financiële druk gecombineerd met de overspannen verwachtingen van het bestuur. Met te weinig officieren van justitie en te weinig ondersteuning moet teveel worden gedaan.

Hoe kan de raadsman tot een efficiëntere verdediging komen?

Allereerst door zijn zaken juridisch goed te doorgronden en na te denken over verweren en de conclusies die daaraan moeten worden verbonden. Voorts door voor de zitting contact te hebben met de betrokken officier van justitie over bewijskwesties, horen van getuigen e.d. Ik zou er een voorstander van zijn als de raadsman voor de zitting al laat weten aan de officier van justitie en betrokken rechter welke kwesties in elk geval op de zitting aan de orde moeten komen. Datzelfde geldt natuurlijk ook voor officier van justitie en rechter.

Welk strafrechtelijk leerstuk intrigeert u het meest?

Opzet en schuld en strafrechtelijke toerekening.

Hoe heeft u zich als strafrechter ontwikkeld?

Het is een lange ontwikkeling geweest die eigenlijk nog steeds voortduurt. Vanaf het begin van mijn loopbaan heb ik goed geobserveerd hoe andere ervaren rechters het deden. Wat mij aansprak heb ik mij eigen gemaakt. Zo heb ik een manier van handelen ontwikkeld waarbij ik mij prettig voel en waardoor ik in staat ben om mij makkelijk aan te passen aan de (onverwachte) gebeurtenissen op de zitting. Daarbij helpt mij mijn eigen ‘lijstje’:
• Wees je bewust van de betrekkelijkheid van je eigen norm;
• Maak een eerlijke inschatting van de je eigen sterke en zwakke punten;
• Blijf werken aan een realistisch zelfbeeld;
• Blijf kalm;
• Zorg dat je altijd verschillende scenario’s hebt doorgedacht en paraat hebt op de zitting;
• Probeer bescheidenheid te blijven zien als onderdeel van leiderschap;
• Weet dat je niet alle lasten van de wereld op je schouders hoeft te dragen.

Voelt u zich als rechterlijk ambtenaar meer rechter of ambtenaar?

Ik voel mij rechter en volstrekt geen ambtenaar. Dat wil niet zeggen dat ik mij niet heb te houden aan redelijke regels die de organisatie van mij vraagt. Het rechterschap is eerst en vooral een ambacht. Het is een geweldig beroep en ik zou het zo weer opnieuw doen.

Ziet u het spreken van recht en de organisatie daarvan als gescheiden werelden.

Recht en organisatie zie ik als een organisch geheel. Zonder de organisatie kan ik mijn werk niet doen. Ik zie het ook als taak van de organisatie om vooral te faciliteren en de mogelijkheden te scheppen voor efficiënte rechtsgang. De organisatie mag de rechter daar ook op aanspreken en moet een kritisch oog houden op het functioneren en het opleidingsniveau van de rechter.

Welke ontwikkeling binnen de rechterlijke organisatie betreurt u het meest en welke ontwikkeling juicht u het meest toe?

Wat ik het meest betreur is dat wij – net als in Noord-Korea – een Ministerie van Veiligheid en Justitie hebben gekregen. Het departement en de top daarvan ziet het strafrecht als een instrument om elk maatschappelijk probleem op te lossen en schept daardoor verwachtingen in de samenleving die wij als rechterlijke macht, met onze geïndividualiseerde benadering, niet waar kunnen maken. Ik ben somber als ik zie hoe het departement steeds maar weer probeert om meer greep te krijgen op ZM en OM bijvoorbeeld door alles wat betrekking heeft op de executie van straffen naar zich toe te trekken.

Wat ik het meeste toejuich is dat ik veel jonge collegae zie die met hernieuwd elan de rechtspraak haar rol willen terug geven in de samenleving met een open oog voor de gerechtvaardigde wens van het publiek te zien hoe wij tot onze beslissingen komen.