Huizinga’s spel en ernst van de Nederlandse rechtspraak

Inleiding
Iets meer dan 75 jaar geleden (1938) verscheen de cultuurbeschouwing Homo Ludens. Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur, waarin de toen al beroemde historicus Johan Huizinga de mens als homo ludens, als spelende mens, beschouwt. De menselijke beschaving zou opkomen en zich ontwikkelen als spel. In het vierde hoofdstuk staat hij stil bij de rechtspraak als spel. In dit opstel sta ik stil bij zijn benadering van de rechtscultuur in het licht van enkele persoonlijke connotaties bij het rechtspreken als zodanig en de ontwikkeling zoals we die kunnen nastreven en organiseren.

Rechtspraak als ernst
Oordelen over een medemens werd en wordt in onze Joods-Christelijke cultuur als zonde aangemerkt, oordelen zou alleen aan God zijn voorbehouden. Daarmee werd en wordt eigenrichting tegengegaan en het intrinsieke zondebesef over het eigen handelen centraal gesteld. Geen verkeerde insteek van dat oude Joodse nomadenvolk. Alras ontstond er één uitzondering, het rechtspreken door koning, priester en later rechter die daarmee het volk richtte in de goede richting. Aldus werd het rechtspreken uitgezonderd van het gewone maatschappelijke leven, millennia later gesymboliseerd door de toga en elders de pruik, depersonalistische attributen. Niet rechter Piet spreekt recht, maar de rechtspraak treedt binnen, ontdaan, althans geobjectiveerd van de persoon.
De zwaarte van dat oordelen viel en valt niet te onderschatten. Eenieder die wel eens heeft opgesloten gezeten in een lift moet kunnen navoelen wat vrijheidsbeneming inhoudt. De last die daarmee op de schouders van de rechtspraak rust is zwaar en ernstig en kan niet genoeg op gewicht geschat worden. Nietzsche schreef in Also sprach Zarathrustra over de rode rechter die hij langs de strenge meetlat legde dat zijn daden moesten overeenkomen met zijn gedachten. Er wordt dus ook nog eens van de rechter verwacht dat het een zuiver mens is die bij een andere geestesgesteldheid moeilijker tot een zuiver rechtsoordeel kan komen.
Het is dan ook alleszins begrijpelijk dat rechters hun organisatorische omgeving willen bouwen naar eigen beeld en gelijkenis. De ernst waarmee rechters de organisatie somtijds bejegenen als de leiding de rechter hen niet faciliteert op de gewenste wijze, is mogelijk verklaarbaar door het besef van veel rechters met een zware ambtsmantel omhuld te zijn.

Rechtspraak als spel
De rechtspraak draait in hoge mate nog steeds om het rechtsgeding. In het woord geding ligt al de kamp, de strijd, de wedstrijd besloten. In de zittingzaal, of daarbuiten als het om een schriftelijke uitwisseling van stukken gaat, strijden partijen om de rechter te overtuigen van het eigen gelijk. Dat wedstrijdelement kan niet verhelen dat er soms weinig van speelse omstandigheden sprake lijkt te zijn. Er wordt vaak gevochten met retorische trucs, die Huizinga in voornoemd hoofdstuk ten onrechte liet eindigen in de klassieke beschaving. De behendigheidswedstrijd van toen is in wezen niet veranderd. De trukendoos gaat onverminderd open, niet alleen in het requisitoir en in het pleidooi, maar ook in vonnis en arresten van gerechtshof en Hoge Raad. Het doel telt en de juridische argumentatie wordt er veelvuldig bijgezocht. Soms is de keuze om het kansopzet beter af te grenzen van de bovenzijde van de culpa, en de toepassing van het voorwaardelijk opzet te limiteren, en worden er gelegenheidsargumenten gezocht die het op zich valide doel moeten schragen. Ook de rechter wil zijn wedstrijd winnen, hetgeen in formeelrechtelijke zin inhoudt dat hij een fair proces organiseert, zowel in organisatorische als in juridische zin. In dit opstel gaat het er mij om het wedstrijdelement van de rechtspraak voluit te belichten.
Evenals bij het vorige punt trek ik de lijn door naar de organisatie van het recht. In de organisatie van de rechtspraak vindt ook een wedstrijd plaats. Een strijd om zeggenschap en schaarste, naar welke zaken en zittingen de meeste of minste rechterlijke menskracht mag toevloeien, een strijd om inspraak en (mede)zeggenschap van rechters, een strijd om beelden welk rechtersprofiel mag domineren etc.

Rechtspraak volgens Huizinga: spel of ernst?
Huizinga komt in het laatste hoofdstuk van zijn boek Homo ludens tot de verzuchting dat er sprake is van een verbijsterende onoplosbaarheid of er sprake is van spel of ernst. Waar het debat een zedelijk karakter krijgt, verliest volgens Huizinga de kwalificatie spel haar betekenis. Zie zijn slotzin: “Zodra gevoelens meespelen van waarheid en gerechtigheid, van erbarmen en vergeving, heeft de vraag geen betekenis meer. Eén druppel van medelijden is genoeg om onze handelingen boven de onderscheidingen van de denkende geest te verheffen. In ieder zedelijk bewustzijn dat gegrond is in erkenning van gerechtigheid en genade, komt de vraag spel of ernst, die tot het laatst toe onoplosbaar bleef, voor goed tot zwijgen.” Ik vraag me af of we 75 jaar na de bespiegelingen van Huizinga niet enkele andere afbakeningen van rechtspraak en rechterlijke organisatie kunnen naspeuren.

Rechtspraak: spelende ernst, ernstig spel
Sinds jaar en dag bepleit ik als onkerkelijke een soort analogie met de Heidelbergse Catechismus voor de rechterlijke macht, met als kern de trias van het gelovig bestaan: ellende, verlossing en dankbaarheid. We verkeren in de ellendestaat omdat rechters murmureren en zich niet meer de kern van het rechterlijk bedrijf voelen en de ellendestaat wordt verdiept omdat bestuurders en rechters geen verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen rol in die organisatorische ellende. Daarmee komen we nog lang niet toe aan de verlossing en de dankbaarheid die het christelijk geloof predikt. Mijn organisatorisch geloof is een ander en veel monterder van aard. De ellende waarin de mens sinds het ontstaan der mensheid verkeert is onze natuurlijke habitat. Het leveren van kwaliteit naar individueel inzicht staat altijd op gespannen voet met het algemene of leidinggevende inzicht. Het leveren van kwaliteit naar individueel inzicht staat altijd op gespannen voet met het inzicht van anderen, waaronder de ontvanger van het gebodene. Een ongebruikelijk voorbeeld kan dit verduidelijken. Een fruitteler kan de mooiste bessen telen en plukken, maar als er een verzadigde markt is worden op de veiling de bessen ‘doorgedraaid’.* Dit gegeven voltrekt zich altijd en overal. De individuele rechter kan menen het mooiste vonnis te hebben geschreven, maar of hij neemt er te veel tijd voor, of de collega’s vinden het niets, of de hogere rechter ontdekt motiveringsgebreken, of zijn nachtrust is door alle fijnschrijverij naar de knoppen. Het komt in het menselijk bestaan zelden voor dat alle actoren met dezelfde argumentatieve parameters een gemeenschappelijke uitkomst kunnen begroeten. Ik heb de ellende in de rechterlijke organisatie uitentreuren beschreven en laat deze nu even onuitgeschreven. Het gaat mij erom dat als de mens en dus ook de professional aanvaardt dat in de dagelijkse ellende, in het dagelijks gewoel om het menselijk en het rechterlijk bestaan tot uitdrukking komt waartoe wij op (de gerechtelijke) aarde zijn, er verlossing aanbreekt. Wij zijn op aarde om in het tuintje waarin we te werk gesteld zijn te ploegen, te zaaien, te zweten, het zweet van ons voorhoofd te vegen, en de dag erna hetzelfde te doen: ploegen, zaaien, zweten en een beetje oogsten. Als we die banaliteit van het dagelijkse getob uitvergroten en zien als het doel van zinvol bezig zijn, is de verlossing en zelfs de dankbaarheid aangebroken. De ellendestaat is ons dagelijks gegeven, verandert niet en gaat van generatie tot generatie voort.

Vooruit, een persoonlijke noot. Dagelijks nader ik het lelijke gebouw van ‘mijn’ paleis van justitie, met de lelijke gangen met de lelijke kleuren en de kantoorkamertjes waarin wij ons werk doen. Mijn zittingen vinden plaats in niet al te fraaie zittingzaaltjes. Continu zijn verdachten te laat (verschenen of aangevoerd), pleiten advocaten te lang, requireert het openbaar ministerie niet puntig, en ga ik zelf bij mijn behandeling langs de kern van de zaak, raak de verdachte niet en ben ik te laat thuis. En dagelijks is het een feest om rechter te zijn, een feest omdat ik dit hoge ambt mag bekleden, mag twijfelen over mijn rechterlijk oordeel, onderdeel mag zijn met klagende, montere, langzame, snelle, slordige en precieze collega’s met wie ik een werkgemeenschap mag vormen als ware het een familie die elkaar tot in lengte van jaren vergezelt met de eigenschappen die we al zoveel jaren van elkaar kennen en die niet meer verdwijnen. Die banaliteit van het dagelijkse voelt vertrouwd en veilig, voelt als een geschenk en levert me door de overvloed aan ervaringsjaren ook een spelelement op. De ernst is dat een overvloed aan rechterlijk gemopper een vampiereffect op de organisatie heeft en veel vermoeidheid bij anderen genereert, maar is het in het gewone bestaan buiten de paleizen van justitie anders? Omdat er zoveel overeenkomsten zijn tussen mensen kan ook het spelelement worden geïntroduceerd. Het spel in de zin van lichtvoetigheid, het spel in de zin van humor om elkaars en onze eigen gebreken. Het is voor mij wel steeds meer de vraag of we het spel niet enigszins kunnen professionaliseren.

Vanaf 2007 laat ik me in publicaties bepaald scherp uit over klagende collega’s, zeurende rechters en mandarijnentaal sprekende bestuurders. Niet over hun klagen en vrijblijvende bestuurstaal maar over het feit dat passiviteit overheerst bij het zelf oplossen van hun klachten. Maar als ik met Huizinga als typische spelfunctie de zucht naar het exorbitante beschouw, dan ben ik te negatief geweest. Veel menselijk en organisatorisch gedrag ziet op het proberen te verzilveren van de individuele opvattingen over ambachtelijkheid. Die verzilvering, die vertaling, wordt geflankeerd met grote woorden over rechtsstatelijkheid, over teloorgang van kwaliteit als de individuele rechter niet gevolgd wordt door de leiding in zijn of haar individuele taakopvattingen. Als dat gevecht om de winst in het debat gepaard gaat met retoriek, met overdrijving, dan ontstaat minder ergernis over klagende rechters en hun manifestaties van retorische kwaliteit.
Het spelelement introduceren ter verklaring van de spanningen in de rechterlijke organisatie relativeert de hoge toon waarop het debat gevoerd wordt. Anders dan Huizinga die in veel van zijn geschriften een daling van het ethisch normbesef constateert, ga ik uit van de bestaande situatie als realiteit die ik niet per definitie als minder of beter kwalificeer. Zijn begrippenpaar ernst-spel helpt ons wel verder rond de stagnatie in de rechterlijke organisatie. Hoe de schaarste verdeeld wordt, welk ambachtelijkheidsprofiel de boventoon gaat voeren, is een kwestie die voor zowel de organisatie (elk individueel rechterlijk handelingsprofiel honoreren levert langere doorlooptijden op) als voor de individuele rechter (een grotere werk- en tijdsdruk) ernstig is, er staat nogal wat op het spel.
Maar wie het wedstrijdelement ziet, het spel om de knikkers, waarbij spelregels de speltechniek dicteren, die neemt met een lichtere tred de trede naar de volgende organisatiefase. De humor ligt in de gangen van onze paleizen van justitie indien we spot en zelfspot constructief weten te hanteren bij het bespreekbaar maken van wat rechters drijft, verdeelt en bindt. Hoe krijgen we die verdeeldheid zo geformuleerd dat verdeeldheid als onderdeel van het (rechterlijk) bestaan de boventoon mag voeren?

Kwaliteit werkt niet van boven
Het bestuurlijk praten over kwaliteit lijkt op de situatie waarin ouderlingen en predikanten de kerkganger thuis bezoeken en vragen naar de kwaliteit van het gebed en of de gelovige wil uiteenzetten hoe dat bidden verloopt, of er ontwikkeling in schuilt en of het bezochte kerklid dit maar even wil delen met de andere kerkleden zodat er een soort kwaliteitsbenchmark kan plaatsvinden. Want de predikant wil graag de religieuze feedback en de geloofsintervisie stimuleren. Met deze parodie wil ik illustreren dat de leiding van de gerechtelijke organisatie zich met een onmogelijke queeste heeft opgezadeld die hun gezag slechts verder heeft verwaterd. Daarom zijn jaarplannen goed voor slaperigheid en ironie, want wie kent niet de grap over het Jenaplanonderwijs waar de eeuwige plannen leiden tot de bijnaam JenaVanPlanonderwijs. Van bovenaf kan kwaliteit niet gedicteerd worden, hooguit met bestuurlijke kaders afgedwongen en gefaciliteerd. Het bestuur kan dus wel degelijk acteren en daarover gaat het volgende pleidooi.

Kwaliteit van boven verplicht en van onderen verzonnen
Gerechtsbestuurders moeten de gerechtsafdelingen de eis stellen dat er in het komende jaar kwaliteitsprojecten moeten worden ontwikkeld waarover achteraf verantwoording moet worden afgelegd. Verder dienen de initiatiefnemers gefaciliteerd te worden teneinde die projecten georganiseerd te krijgen. Bovenal dienen de bestuurders de bewoners van het gerecht duidelijk te maken wat kwaliteit niet en wel is. Mijn voorkeur gaat uit naar een eenvoudige definitie.
Kwaliteit van rechtspraak wordt in het bijzonder gevormd door het gesprek te entameren tussen de deelnemers aan de rechtspraak. Het overheersende probleem van de rechterlijke organisatie is sinds jaar en dag dat bestuurders en rechters en rechters en medewerkers elkaar niet of nauwelijks spreken, inspraak en (mede)zeggenschap wensen, dat de afdelingsleden menen elkaar niet meer te spreken en dat de afdelingen los zand zouden zijn. Mijn antwoord is bepaald simpel:

PRAAT DAN MET ELKAAR!

Dat praten leidt vaak tot niets is mijn overtuiging, maar het doel moet ook niet zijn om tot resultaten te komen, daarvoor is de rechtspraak te divers, het doel moet het praten op zich zijn. Facultatief kan elk afdelingslid activiteiten verzinnen.

– Organiseer studiereizen, waarna het reisverslag binnen het team en de afdeling wordt besproken.
– Ga samen lunchen waarop de aanhoudingen worden besproken die tevoren door de stafjurist zijn bestudeerd en van handzame kanttekeningen worden voorzien om het debat aan te jagen. Kamers kunnen vonnissen en arresten van andere kamers mondeling en ten overstaan van het hele team annoteren.
– Beleg op het vlak van het appointeren van zittingen bijeenkomsten waarop de rode draden in het appointement van de verschillende kamers worden besproken.
– Kom als juridisch medewerkers bijeen en spreek over de rol van de griffier en waarbij steeds wisselende griffiers reflecteren op de verschillende roltypen en hoe deze zich verhouden tot de vraag wat rechters nodig hebben.
– Laat vanuit de universiteit gedurende een dag studenten in het kader van hun master komen die universitair als een verplichte stage heeft te gelden. Deze studenten lopen mee tijdens een zitting, bestuderen tevoren een geanonimiseerd dossier in een afgesloten zaak en gaan daarover het debat aan met de betrokken rechters en griffiers.
– Vraag aan individuele rechters en griffiers en griffiemedewerkers om tijdens een lunch over een thema van hun werk te vertellen. Nodig daarbij ook eens collega’s uit een ander team uit!
– Doe aan speelse intervisie door interne stages van een uur te organiseren waarbij collega’s langs de griffie gaan voor uitleg over bepaalde griffieaangelegenheden, hetgeen ook denkbaar is voor een groepje rechters en griffiers die naar een zitting van collega’s gaan en daarover op een later moment het debat aangaan.
– Laat de komende verkeerstoren tweemaandelijks bijeenkomsten van een half uur organiseren waarin gereflecteerd wordt op alle plannings- en logistiek aspecten die het rechterlijk werk zo leuk maken.
– Vraag bij dat besloten – en uiteraard verplichte – uur, want langer mogen en moeten ze niet duren, af en toe een advocaat uit de stad, een officier van justitie, advocaat-generaal of rechter van een rechtbank die komt vertellen over wat er rond het proces mogelijk beter kan.

Bij al deze kleine en grotere evenementen dient zelfbeperking en zelfbeheersing centraal te staan. Vroeger kende ik een kind dat bij Monopolie niet kon winnen en dan het spel door de kamer smeet. De leidinggevende dient er daarom op toe zien dat er geen oordelen worden gegeven over elkaars werk en opvattingen. Daarvoor bestaan allerlei gesprekstechnieken die dienstig zijn aan het enkele doel het gesprek te laten plaatsvinden tussen collega’s, tussen collega’s en de leiding en tussen collega’s en buitenlanders van het gerecht.

Intern en extern kunnen de luiken van de rechtspraak veel meer open dan thans geschiedt, op een verplichtende wijze, anders komen alleen de enthousiaste vrijwilligers. Tevoren dienen er geen plannen op papier te worden vastgelegd, per maand moet er een gelegenheidsformule worden gevonden voor ver tevoren vastgelegde data. Elke teamvoorzitter moet per bijeenkomst opdracht geven aan een ander individueel teamlid om het te organiseren en voor te zitten. Een en ander wordt achteraf gedocumenteerd met een verslag door weer een ander teamlid, na een jaar wordt dit jaarverslag gebundeld en toegezonden aan het bestuur, vergezeld van een interne enquête wat de teamleden van het afgelopen kwaliteitsjaar vonden.

De zachtere kant van de organisatie – de behoefte aan gesprek, ambachtelijke ontmoetingen en individueel gekend worden in de eigen taakopvatting – moet aangeboord worden met als geen ander doel dan het spreken met elkaar, zodat de verbinding in het team en tussen de teams wordt bevorderd. Ik mag van mijn collega’s niet te cynisch zijn, maar ook niet te vrolijk. Zou dat laatste wel toegestaan zijn dan zou ik schrijven dat we de kwaliteit vanaf onderen gaan escaleren tot bestuursniveau en aanvliegen naar INK-hoogte en als we vragen of de gerechtsleden dat willen en zij scanderen: ja, wij willen kwaliteit, dan antwoorden we dat we dat gaan regelen. Maar dit soort grapjes kan niet, we moeten ernstig blijven en niet te veel spelen met de soms nare realiteit. Of wel?

Huizinga als uitleiding
Huizinga was een cultuurpessimist. Natuurlijk, zijn bekende boek In de schaduwen van morgen uit 1935 hing sterk samen met de schaduw die in het interbellum over Europa hing. Maar toch. Het is verre van eenvoudig om een objectieve waarnemer te zijn van het eigen tijdsgewricht omdat de wetenschappelijke toeschouwer tegelijkertijd participeert in het waargenomen object. Het is daarom veiliger om in langere tijdlijnen te denken en het hedendaagse tijdsgewricht niet te snel uit te vergroten en breuklijnen te zien die in verder verwijderd verband slechts haarscheurtjes blijken te zijn.

Ik ben niet zo somber. In ieder geval niet over de kwaliteit van de rechtspraak, maar ook niet over de rechterlijke organisatie, mits we aanvaarden dat de ellende, in het bijzonder het gevecht om de interne macht en andere spanningen, nog generaties zal duren, mag duren, moet duren en het er op aankomt hoe de bewoners van de paleizen van justitie elkaar beter gaan verduren. Dat verduren, die benodigde groei in verdraagzaamheid, kan verbeteren als het bestuur van de rechtspraak algemene eisen stelt aan kwaliteit van werken, de werkvloeren die eisen zelf laat vervullen, en achteraf vraagt naar het waarom en het hoe van de geleverde inspanningen. Meer praten zou rechters al een grote vooruitgang opleveren. Welnu, laten we dat praten verplicht stellen en het organiseren, maar meer als spel dan de bittere ernst waarmee ambachtslieden hun ongemak vaak vertolken. In bepaalde onderdelen van het publieke domein zijn thans de begrippen ‘gamification’ en ‘workisgaming’ in opmars, ontleend aan het boek Homo ludens van Huizinga (zie de website WorkisGaming). Elke rechter, medewerker en team dient binnen de rechtspraak aan het werk gezet te worden om actief het gesprek aan te gaan met elkaar en de leiding in plaats van andersom. Wil er een zekere bevrijding, een zekere toegang tot verlossing van de ellende, mogelijk worden dan moet activerend burgerschap verplicht gesteld te worden. Dit vergt een andere stijl van leidinggeven. De leiding moet de leden van de werkgemeenschap uit hun cocon trekken om te spreken over wat hen drijft. Niet om tot overeenstemming te komen, niet om de leiding of elkaar de maat te nemen, maar om meer gemeenschapszin te ontwikkelen. De leidinggevende hoort nu te zeggen:

WE GAAN HET REGELEN!

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

* De uitdrukking is ontleend aan de veilingklokwijzer die doordraait als er voor het verstrijken van de veilingtermijn, het afmijnen, geen koper meldt voor de aangeboden partij fruit of groente die daarna werd vernietigd.