Nog meer onafhankelijkheid

In – en vanuit – de rechterlijke macht wordt nog weleens gemopperd op de mate waarin en de wijze waarop politici zich soms met de rechtspraktijk bemoeien. Dan gaat het niet om de taak van de wetgever ervoor te zorgen dat het rechtsbedrijf behoorlijk kan functioneren en dat uitvoerbare wetten worden uitgevaardigd. Het gemopper betreft vrijwel steeds, voornamelijk kritische, opmerkingen van politici over individuele rechtszaken. Politici schenden daardoor de scheiding der machten, wordt dan gezegd.

Is dat zo? En als het zo is, so what? En zijn wij als rechters zelf wel brandschoon, als het om de inachtneming van de trias politica gaat?

Laten we vooropstellen dat wij in Nederland eigenlijk geen strikte scheiding van machten kennen. Onze uitvoerende macht is in theorie onafhankelijk van de wetgever, maar in de praktijk ligt elk kabinet aan de leiband van het parlement. Dat is sterker het geval, naarmate de coalitie op minder vaste steun kan rekenen, zoals de laatste tijd nogal eens voorkomt – ook nu, zij het dan via de (lei)band van de Eerste Kamer.
Verder heeft ons land nog altijd een Raad van State. Weliswaar zijn de afdelingen – op “bevel” van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens – uit elkaar gehaald, maar rechtspraak en advisering over wetgeving maken beide steevast onderdeel van dit antieke instituut uit. Ook kennen wij geen absoluut verbod op de combinatie rechter-volksvertegenwoordiger, althans op lokaal niveau. Verder komt het steeds meer voor dat het rechterschap als opstapje voor een politieke carrière wordt gebruikt.

Kortom, wij nemen het allemaal niet zo nauw.

Is het dan zo erg, als politici zich over rechtszaken uitlaten? Daar kun je, als je wil, genuanceerd over denken. Mij lijkt het niet verstandig, bijvoorbeeld, als de minister van (Veiligheid en) Justitie halverwege voorlopige getuigenverhoren in een civiele procedure zijn mening over de zaak verkondigt. Ook zouden politici bekleed met verantwoordelijke functies zich beter van commentaar op vonnissen kunnen onthouden. Dit geldt al helemaal, als een uitspraak nog niet definitief is. Er zou toch een zekere mate van beïnvloeding van kunnen uitgaan. Als bewindslieden vinden dat (de uitvoering van) een wet niet deugt, doen zij het parlement maar een voorstel tot wijziging.
Maar ik haal meestal mijn schouders op, als een – doorgaans op rechts spelende – politicus vanaf de zijlijn roept dat hij de straf in een bepaalde zaak veel te laag vindt. Kennelijk heeft zo’n politicus op dat moment behoefte zijn achterban te bevredigen. Dat wil niet zeggen dat de rechterlijke macht voor indrukken uit de maatschappij ongevoelig is. Dat tegenwoordig op diverse fronten strenger wordt gestraft, kan niet los van de ontwikkelingen in de samenleving worden gezien. Dan hebben we het echter over meer lengte, breedte en diepte dan een enkele publiciteitsgeile politicus kan leveren.

We zouden echter ook als rechterlijke macht moeten nagaan of wij onze plaats altijd kennen. Nu hebben wij, anders dan bijvoorbeeld de USA, een vrijwel apolitieke rechtspraak. Rechters worden bij ons ter waarborging van de rechterlijke onafhankelijkheid – voor het leven – benoemd en niet gekozen. Anders dan opnieuw in de USA spelen, ook als het om de benoeming van een lid van ons hoogste rechtscollege gaat, (partij)politieke elementen praktisch geen rol. Het was dan ook ongelukkig dat het lidmaatschap van een politieke partij enige tijd geleden onderwerp van discussie was, toen de benoeming van een lid van de Hoge Raad ter sprake kwam. In dat geval kun je je afvragen of de mededeling van betrokkene dat hij dat lidmaatschap na zijn benoeming zou opzeggen, het politieke element niet onnodig benadrukte.

De rechterlijke macht wordt ook bij advisering over wetgeving ingeschakeld. Zo fungeren binnen het kader van de Raad voor de rechtspraak diverse uit voornamelijk rechters bestaande wetgevingsadviescommissies (afgekort tot WAC). Aan deze commissies vraagt de Raad van tijd tot tijd advies over (vooral) wetsontwerpen, doorgaans naar aanleiding van een consultatie door het betreffende ministerie. Met zo’n WAC-advies als steun draagt de Raad vervolgens zijn eigen standpunt uit.
Zo’n systeem kan ongelukken voorkomen, als wetsontwerpen juridisch-technische onvolkomenheden bevatten of voor de rechtspraktijk onwerkbare regelingen in het vooruitzicht stellen. Wetsvoorstellen behelzen vaak echter ook puur politieke keuzes, zoals de invoering van minimumstraffen, de verhoging van de griffiegelden en de invoering van allerlei toeslagregelingen. Kritiek van rechters op dergelijke plannen zou al gauw in het vaarwater van de politiek kunnen belanden.
En dan moet je maar voor lief nemen dat je beslissingsvrijheid door minima per delict wordt beperkt, dat de toeloop van zaken door de hogere griffierechten zal dalen en dat het aantal strafzaken door het verwachte misbruik van de zoveelste toeslagregeling zal toenemen.

Misschien zou het beter zijn, als voor juridisch-technische advisering een brede onafhankelijke instelling in het leven zou worden geroepen. Daarvan zouden dan ook rechters deel kunnen (of moeten) uitmaken. Maar zij zouden dan in het grotere geheel zijn “verpakt” en niet zo zichtbaar en kwetsbaar hoeven zijn als nu met de advisering het geval is. De Engelse Law Commission zou hiervoor als model kunnen dienen.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter rechtbank Amsterdam