De actieve en activerende strafrechter in de verkeerstoren

Naar aanleiding van het rapport van de Taksforce OM-ZM zijn (als het goed is) de lokale parketten en gerechten druk bezig met het opzetten van verkeerstorens. Binnen die verkeerstorens gaan OM en ZM op de zogenaamde koppelvlakken samenwerken teneinde de bestaande problemen bij de afdoening van strafzaken te voorkomen. Een van de grootste problemen is het aantal zaken waarin de behandeling niet kan doorgaan terwijl dat gemakkelijk had kunnen worden voorkomen. Denk aan aanhoudingen omdat een tolk niet is opgeroepen, een gedetineerde verdachte niet (tijdig) wordt aangevoerd of nader onderzoek in de vorm van het horen van getuigen noodzakelijk wordt geacht. De ingeroosterde rechters, officier van justitie en griffier kunnen hun werk niet doen waardoor hun werklast stijgt en kostbare zittingsfaciliteiten ongebruikt blijven. Slachtoffers zijn voor niets gekomen en moeten nog langer wachten op het rechterlijk oordeel en hetzelfde geldt voor de verdachte, die in het ergste geval nog langer voorlopige hechtenis moet ondergaan. In deze bijdrage wil ik me richten op (het voorkomen van) de laatst genoemde categorie aanhoudingen.

Een van de mogelijkheden waarop dergelijke aanhoudingen kunnen worden voorkomen is de wijze waarop dat sinds 2009 bij het Arnhemse hof gebeurt: bij binnenkomst van het dossier worden in voorkomende zaken onderzoekswensen opgevraagd, waarna voorafgaand aan de terechtzitting op bevel van de voorzitter het onderzoek waarin door de voorzitter is bewilligd, wordt verricht door de raadsheer-commissaris. In de meeste gevallen gaat het dan om het horen van getuigen door de raadsheer-commissaris. Wanneer mag worden aangenomen dat de zaak gereed is om inhoudelijk te worden behandeld, koppelt de rechter (of juridisch medewerker onder verantwoordelijkheid van de rechter) een tijdsindicatie aan de zaak en wordt de zaak ter planning aan het parket aangeboden. De actieve strafrechter neemt aldus het voortouw en activeert procespartijen om vaart te maken met het indienen van onderzoekswensen en planning van zaken (zie voor een uitgebreide beschrijving van de werkwijze, resultaten en juridische waardering het daaromtrent door de Raad voor de Rechtspraak uitgebrachte Research Memorandum).

Deze werkwijze heeft, met aanpassing aan lokale omstandigheden en de procedure in eerste aanleg, succesvol navolging gekregen bij verschillende rechtbanken. In Arnhem heeft deze werkwijze geleid tot verkorting van de doorlooptijden in hoger beroep en het wijzen van de eindarresten in gemiddeld minder dan zes maanden na het instellen van appel. Daarbij moet worden aangetekend dat Arnhem bij mijn weten alleen staat in de veelvuldige toepassing van de zogenaamde voorzittersbeslissingen. In eerste aanleg wordt nog vaak teruggevallen op regiezittingen. Hiermee wordt weliswaar spaarzaam omgegaan met de capaciteit van gerechten en parketten, maar heeft als nadeel dat die capaciteit moet worden ingezet. Er moet dan immers een zitting van een meervoudige kamer worden georganiseerd waarvoor drie rechters, een griffier en een officier van justitie nodig zijn. De raadsman moet naar het gerecht komen en als een gedetineerde verdachte geen afstand doet moet deze worden getransporteerd. En voorafgaand aan de regiezitting moet vooral het parket nog de nodige formele acties ondernemen, zoals het doen uitgaan van een dagvaarding of oproeping.

Buiten veel lof wordt de beschreven werkwijze mogelijk te weinig juridisch beproefd, terwijl er nog altijd criticasters zijn die zich afvragen hoe deze informele juridische werkwijze zich verhoudt tot de formelere juridische kaders in het Wetboek van Strafvordering. In rechtssociologische zin was het aardig geweest te onderzoeken hoe die kritiek zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld heeft omdat het er op lijkt dat de werkwijze met het verstrijken van de tijd meer en meer juridisch aanvaardbaar en zelfs gewenst wordt gevonden. Dat leert hoe relatief juridische oordelen zijn, maar een en ander laat onverlet dat er op de spaarzame juridische kanttekeningen nauwelijks inhoudelijk is gereageerd. Daarin probeert deze bijdrage te voorzien.

Zo wordt wel eens afgevraagd of de informele voorzittersbeslissingen wettelijk zijn toegestaan: de wet heeft de voorzitter weliswaar de nodige bevoegdheden gegeven maar niet voordat het openbaar ministerie de zaak heeft geappointeerd en al helemaal niet om te bevelen dat getuigen voorafgaand aan de zitting worden gehoord door de rechter-/raadsheer-commissaris. Wordt zo niet op een onwettige wijze de regiebevoegdheid van de rechter-/raadsheer-commissaris doorkruist die moet worden aangezocht door procespartijen (180-184 Sv en 411a Sv)? En is het niet in strijd met de wet wanneer met de figuur van de voorzittersbeslissingen (regie)zittingen worden voorkomen waarbij rechtbank of hof in de – volle – meervoudige kamer op onderzoekswensen beslist? Samenhangend valt ook de vraag te beluisteren hoe de actieve (en daarmee activerende) strafrechter zich verhoudt tot de autonome verantwoordelijkheid van de procespartijen bij bijvoorbeeld het opgeven van onderzoekswensen en het appointeren van zittingen. Daarnaast wordt zo nu en dan afgevraagd of de verdachte er wel belang bij heeft dat een zaak snel wordt afgedaan en of de verdachte bij een actievere rechter niet teveel het idee krijgt dat hij naast het openbaar ministerie ook de rechter tegenover zich krijgt. Ten slotte is een gehoord kritiekpunt dat de actievere rechter ten onrechte allerlei taken op zich neemt die sinds jaar en dag aan het openbaar ministerie zijn voorbehouden.

Zoals veel van de strafvorderlijke ontwikkelingen van de laatste jaren is de actievere rol van de rechter een invulling van de gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle procesdeelnemers voor een voorspoedig behandeling van strafzaken. Die gezamenlijke verantwoordelijkheid vloeit om te beginnen voort uit de positive obligation die de staat in het algemeen en dus ook de rechter op grond van artikel 6 EVRM heeft om het recht van de verdachte op een berechting binnen redelijke termijn te waarborgen. Ook het Wetboek van Strafvordering omvat bepalingen waaruit een dergelijke verplichting valt af te leiden. De artikelen 409 en 412 Sv zoals die gelden voor de procedure in hoger beroep zijn daar een illustratie van. Om in de woorden van De Hullu en Groenhuijsen te spreken: “onnodige en onredelijke vertraging” moet worden voorkomen (Sv 2001, deel 3, p. 394). Zo de verdachte al andere belangen heeft (bijvoorbeeld vertraging) of het openbaar ministerie in organisatorische zin meer verantwoordelijkheid zou moeten nemen, doet dit niets af aan het (juridisch) recht van de verdachte op een behandeling van de zaak binnen redelijke termijn. Dat de verdachte mogelijk het gevoel krijgt de rechter tegenover zich te krijgen of het openbaar ministerie het te makkelijk wordt gemaakt ten koste van (de werklast van) de strafrechter, zijn wellicht waardevolle doch geen juridische argumenten en evenmin te relateren aan enig verdedigingsbelang in de zin van strafvordering.

Vanuit de positieve verplichting van de strafrechter (die overigens en vanzelfsprekend niet alleen gericht is op de belangen van verdachten, maar ook die van slachtoffers) is gezocht naar mogelijkheden om die, uiteraard overeenkomstig de eisen die het Wetboek van Strafvordering aan een procedure stelt, in te vullen. Uit de juridisch kritiek blijkt dat er behoorlijk wat misverstanden bestaan. Veel juridische bezwaren vinden immers grond in onvoldoende zicht op de werkelijke praktijk. Met het oog op de toekomstige verkeerstorens is het misschien wel goed om die bezwaren puntsgewijs uit de wereld te helpen.

1. De actieve opstelling van de strafrechter is er om te beginnen geenszins op gericht om regiezittingen te voorkomen. Wanneer verdediging en openbaar ministerie een regiezitting wensen, wordt een dergelijke zitting gepland. De rechter-/raadsheer-commissaris wordt ingezet om aanhoudingen te voorkomen en niet om regiezittingen te voorkomen. Dat beantwoordt ook aan de achterliggende gedachte van de actieve en activerende strafrechter: een behandeling binnen redelijke termijn voor alle strafzaken door te voorkomen dat kostbare zittingscapaciteit verloren gaat vanwege een geplande inhoudelijke behandeling die niet door kan gaan.

2. Door de strafrechter worden daarnaast niet in alle zaken onderzoekswensen opgevraagd. In het merendeel van de gevallen wordt geoordeeld dat er geen onderzoekswensen te verwachten zijn en dat de zaak inhoudelijk kan worden gepland, hetgeen natuurlijk onverlet laat dat op zitting nadere onderzoekswensen kunnen worden gedaan. In de gevallen waarin de verdediging wel wordt benaderd, wordt slechts een open vraag gesteld, waarop de verdediging kan antwoorden wat deze wil. De raadsman is vrij om onderzoekswensen op te geven, maar is daartoe natuurlijk niet verplicht. De raadsman kan ook niet reageren, aangeven die wensen op een (regie)zitting te willen doen en zelfs wanneer hij onderzoekswensen opgeeft is hij vrij om deze op zitting te herhalen of zelfs nieuwe onderzoekswensen op te geven. De strafrechter activeert alleen die raadslieden die ook zelf vaart willen maken en de ervaring leert dat dat toch de meerderheid van de advocaten is. Van een minder autonome procespositie is dus geen sprake. Je kan je overigens afvragen of een dergelijk verregaande procesautonomie wel grond vindt in de wet omdat diezelfde wet de mogelijkheid biedt van ambtshalve voorzittersbevelen.

3. Verder blijft het openbaar ministerie zelf bepalen wanneer een zaak zittingsrijp is en op welke zitting de zaak wordt geappointeerd. Na het werk in de voorfase wordt de zaak, voorzien van een tijdsindicatie, slechts ter planning aangeboden. Het appointeringsvoorstel komt nog steeds van het openbaar ministerie waarmee deze nog steeds de eigen prioritering kan bepalen. In die bevoegdheidsverdeling en zijn procesautonomie wordt dus niet getreden. Ook hier activeert de strafrechter slechts een welwillend openbaar ministerie en ook hier leert de ervaring dat het openbaar ministerie zeer welwillend is.

4. De gevolgde werkwijze staat ten slotte volkomen los van de zelfstandige bevoegdheden die de rechter-/raadsheer-commissaris toekomen. De beslissing op onderzoekswensen wordt conform 258, tweede lid en 263, vierde lid Sv genomen door de voorzitter waarna aan de procespartijen wordt voorgesteld om in het geval van getuigenverhoren deze door de rechter-/raadsheer-commissaris te laten uitvoeren. Alleen bij schriftelijke instemming met die werkwijze wordt de zaak, louter ter uitvoering van de door de voorzitter genomen beslissing, doorgeleid naar het kabinet rechter-/raadsheer-commissaris. Op zitting wordt de werkwijze vervolgens nog door de gehele samenstelling geaccordeerd en uiteraard bestaat alle vrijheid de betreffende getuige alsnog op zitting door rechtbank of hof te ondervragen. Deze in vele zaken sinds 2009 gevolgde werkwijze was voor de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2012:BX5558, na dekkend beschreven te zijn door A-G Hofstee, geen aanleiding om ambtshalve te casseren en ook overigens is geen enkele zaak om die reden bij de Hoge Raad gestrand. Een ander lijkt voor te vloeien uit de strafvorderlijk breed gedragen opvatting dat niet kan worden geklaagd over aspecten waarover tussen partijen ondubbelzinnige consensus bestaat (gewezen kan worden op talloze arresten van de Hoge Raad, het grote onderzoeksproject Sv 2001 geleid door Knigge en Groenhuijsen, de daaruit voortvloeiende wetgeving en de door Corstens breed uitgedragen consensualiteitsgedachte in alle fasen van het strafgeding). Deze constatering dwingt ook tot een andere duiding van het feit dat de wetgever strikt genomen geen mogelijkheid biedt voor de gevolgde werkwijze. Dat de wetgever bij introductie van het horen door de (gedelegeerde) rechter-/raadsheer-commissaris niet heeft gedacht aan de figuur van de voorzittersbeslissingen kan worden toegeschreven aan het feit dat de wetgever als uitgangspunt de bestaande systematiek heeft genomen waarin het alleen de zittingsrechter was die voor het horen van getuigen of deskundigen de zaak kon verwijzen naar de rechter-commissaris. De voorzittersbeslissing bestond toen immers nog niet. In de overwegingen waarin de minister de met de Wet raadsheer-commissaris geschapen mogelijkheid rechtvaardigt, lijkt ook niet zozeer de verwijzende instantie maar veeleer de tussen procespartijen bestaande consensus doorslaggevend (Kamerstukken II 2001-2002, 28 477, nr. 3, in het bijzonder p. 4-9). Ook aan het feit dat bij introductie van de voorzittersbeslissingen niet is voorzien in de mogelijkheid tot verwijzing naar de rechter-/raadsheer-commissaris moeten mijns inziens niet te verstrekkende conclusies worden verbonden. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2003-2004, 29 254, nr. 3) komt de mogelijkheid van het horen van getuigen of deskundigen door de (gedelegeerd) rechter/raadsheer-commissaris op gezag van de voorzitter en voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting evenmin ter sprake. Daaruit zou ik echter niet zozeer willen afleiden dat de wetgever daar niets van heeft willen weten, maar eerder dat hij die mogelijkheid gewoonweg over het hoofd heeft gezien. Bij een principiële afwijzing was een beschouwing daarover wel te verwachten geweest. In het licht van eerder genoemde consensualiteitsgedachte valt niet in te zien waarom de voorzitter bij gebleken overeenstemming de zaak niet mag verwijzen naar de rechter-/raadsheer-commissaris, maar wel ambtshalve veel verstrekkende(r) bevoegdheden ter beschikking heeft. In het verlengde daarvan valt ook niet in te zien waarom de voorzitter niet op verzoek van de verdediging en na instemming van het openbaar ministerie voorzittersbeslissingen mag nemen alvorens hetzelfde openbaar ministerie het appointeringsvoorstel aan de voorzitter heeft doen toekomen. Dit alles geldt temeer daar de Hoge Raad al vijf jaar geen moeite lijkt te hebben met deze inmiddels bestendige praktijk en – wellicht nog belangrijker – daarmee volledig recht wordt gedaan aan de gedachte die achter introductie van de voorzittersbeslissing moet worden vermoed: namelijk het voorkomen van aanhoudingen van de behandeling van de zaak ter terechtzitting.

De voorzitter heeft al met al veel meer juridische mogelijkheden dan letterlijke lezing van de wet doet vermoeden. Rechters en gerechten maken het zich onnodig moeilijk wanneer die mogelijkheden in de op te richten verkeerstorens niet worden benut. Regiezittingen en het niet kunnen afdoen van voor inhoudelijke behandeling geplande zaken leiden tot een hogere werklast en bovenal onnodige vertraging voor verdachten en slachtoffers. Actieve en activerende rechters kunnen dat in de verkeerstoren zelf voorkomen.

Rick Robroek
Stafjurist Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg