Onrecht: schadevergoeding na onterechte voorlopige hechtenis

Ik geloof dat er geen onderwerp is waarover rechters zo van mening verschillen als over het uitkeren van schadevergoeding nadat een verdachte is vrijgesproken.

Of er een schadevergoeding wordt uitgekeerd lijkt niet te verschillen per rechtbank of per hof. Het verschilt per strafkamer. De rechters lijken in twee groepen te zijn verdeeld. De ene groep bestaat uit rechters die geneigd zijn haast per definitie een schadevergoeding toe te kennen op het moment dat iemand is vrijgesproken. De andere groep uit rechters die bereid zijn om goed te zoeken naar argumenten om een verzoek tot schadevergoeding af te wijzen.

Zo zijn er in de recente rechtspraak tal van voorbeelden te vinden van afwijzingen van verzoeken om schadevergoeding, met als argument dat de gewezen verdachte door zich op zijn zwijgrecht te beroepen zelf heeft bijgedragen aan het voortduren van de voorlopige hechtenis. Tegelijkertijd wordt in andere zaken waarbij de verdachten zich op hun zwijgrecht hebben beroepen wel schadevergoeding toegekend.

Terzijde wil ik opmerken dat het een slechte zaak is als rechters verdachten tegenwerpen dat ze zich op hun zwijgrecht hebben beroepen. Het zwijgrecht is een van de meest fundamentele rechten die een verdachte heeft. Het is dan vreemd om op een later moment te zeggen: omdat je gebruik hebt gemaakt van je recht, krijg jij nu geen schadevergoeding en je voormalige medeverdachte wel. Voor een advocaat levert deze rechtspraak overigens ook een probleem op. Regelmatig zal een advocaat zijn cliënt, die zelf wel wil praten, met klem adviseren zich te beroepen op zijn zwijgrecht. Het is een volstrekt legitieme verdedigingsstrategie. Gelet op de eerder genoemde rechtspraak kan die advocaat er dan door zijn vrijgesproken cliënt voor verantwoordelijk worden gehouden dat hij geen schadevergoeding krijgt.

Het lijkt mij tijd dat de Hoge Raad door middel van een cassatie in het belang der wet op dit gebied voor wat meer rechtseenheid zorgt.

Er is nog iets anders op het gebied van de schadevergoeding dat wat mij betreft dringend zou moeten worden aangepakt. In dit geval door de wetgever.

Ik heb het over de mijns inziens schrijnende situatie dat schadevergoeding binnen het strafproces niet mogelijk is wanneer een verdachte wordt vrijgesproken voor het feit waarvoor hij in voorlopige hechtenis zat, maar wordt veroordeeld voor een veel lichter strafbaar feit. Een feit waarvoor iemand nooit tot langdurige gevangenisstraf zal worden veroordeeld, maar waarvoor wel voorlopige hechtenis is toegelaten.

Een standaardvoorbeeld.

Een verdachte wordt, na jarenlang te hebben vastgezeten, vrijgesproken van moord, maar veroordeeld voor vernieling. Een verzoek tot schadevergoeding bij de strafrechter is in een dergelijk geval kansloos. Voor vernieling is voorlopige hechtenis immers ook toegelaten en dat betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarden die artikel 89 Sv stelt aan een verzoek tot schadevergoeding.

Iets minder onrechtvaardig, maar toch zeker onwenselijk is de met regelmaat voorkomende situatie dat een verdachte wel wordt veroordeeld voor het strafbare feit waarvoor hij heeft vastgezeten, maar tot een aanzienlijk minder lange gevangenisstraf dan de tijd die hij al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Ook in dit geval is een schadevergoeding op grond van artikel 89 Sv uitgesloten. Terwijl uit de beslissing van de rechter duidelijk blijkt dat de persoon in kwestie te lang heeft vastgezeten.

Wat mij betreft gaat het hier niet alleen om het belang van de individuele verdachte. Meer nog lijkt mij het volgende van belang.

De regeling van de schadevergoeding is onlosmakelijk verbonden met de praktijk van de voorlopige hechtenis. Een praktijk waarover velen de laatste tijd opmerken dat die is doorgeschoten.

Zowel Buruma (Onschuldig gedetineerd!, NJB 13 september 2013) als strafrechters Jansen, Van den Emster en Trotman (Een oordeel van de werkvloer!, Strafblad, december 2013) schreven zeer kritische stukken over de lichtvaardige toepassing van voorlopige hechtenis. Zij verwezen in hun stukken naar cijfers over het aantal toegewezen verzoeken tot schadevergoeding. Voorgerekend wordt dat er in 2012 bijna 5.000 verzoeken tot schadevergoeding zijn toegekend en dat er dus bijna 5.000 mensen ten onrechte hebben vastgezeten.

Maar die cijfers zijn naar mijn mening nog geflatteerd. In feite is het veel erger. De aangehaalde cijfers zien immers alleen op toegewezen verzoeken tot schadevergoeding. Zoals hierboven is beschreven wordt lang niet altijd schadevergoeding toegewezen in het geval van een vrijspraak na ondergane voorlopige hechtenis. Daar komt bij dat een verzoek tot schadevergoeding vaak niet kan worden gedaan, terwijl iemand wel ten onrechte of te lang in voorlopige hechtenis heeft gezeten.

Buruma merkt in zijn stuk op: ‘het strafrechtelijk systeem kent afgezien van de schadevergoeding geen enkele prikkel om mensen niet ten onrechte voorlopig op te sluiten’.

Mijn stelling luidt: ook deze enige prikkel die er is, functioneert niet naar behoren.

En daarin ligt wat mij betreft het voornaamste argument om de bestaande regeling te hervormen.

Jonathan IJdis
Strafpleiter