Sneller recht is beter dan beter recht

Goed nieuws uit Den Haag. Dit keer. In zijn Jaarplan voor 2014 kondigt de Raad voor de Rechtspraak aan dat hij de duur van de gerechtelijke procedures wil beperken en zegt vervolgens: “uiteindelijk is het doel om de gemiddelde doorlooptijden vanaf 2018 met tenminste 40% te verkorten”. Dat zou vooral moeten worden bereikt door de werkprocessen zodanig te innoveren dat zaken minder stilliggen en het wachten op de inbreng van partijen wordt geminimaliseerd. Tevens zullen de mogelijkheden worden benut om de rechter meer regie op de duur van het proces te geven.

Je staat toch met je oren te klapperen als je dit zo leest: gebeurde dat tot nu toe dan allemaal niet; lagen zaken nodeloos stil omdat noch de rechter noch de medewerker er mee bezig was en bepaalden partijen de snelheid van de voortgang; en…had de rechter geen regie op de voortgang van de zaak? In civilibus wellicht niet, maar in het strafrecht…? Tot dat laatste wil ik me trouwens beperken en ook spreek ik alleen over de eerste aanleg omdat over de afhandeling van appelzaken nauwelijks inzichtelijke gegevens voorhanden zijn.

Op pagina 18 van het Jaarplan zijn de normen voor deze tak van sport opgenomen. Ik neem de twee, in mijn ogen, belangrijkste ervan. Van de strafzaken die door de Meervoudige Kamer worden behandeld moet in 2014 90% binnen 6 maanden zijn afgedaan; bij de politierechter (enkelvoudig dus) ligt de norm op minder dan 5 weken. In het Jaarplan valt niet te lezen wat precies moet worden verstaan onder afgehandeld en wanneer de doorlooptijd eigenlijk begint te lopen en wanneer die eindigt. Dat staat wel in de publicatie Criminaliteit en Rechtshandhaving waarvan de Raad één van de uitgevers is. De doorlooptijd van strafzaken begint op het moment dat de zaak bij het OM binnenkomt en wordt ingeschreven en eindigt op de datum van de eindbeslissing van de rechter. Het is dus een soort gemeenschappelijke tijdsverloop voor OM en ZM samen. Een scherpe scheiding voor de overgang van de zaak van de ene naar de andere ketenpartner is er volgens een onderzoek van het WODC (Cahier 2012-1, pag. 56) niet te maken.

In 2012 bedroeg die gezamenlijke doorlooptijd voor MK-zaken gemiddeld 11 maanden en voor PR-zaken 8 maanden. Vanuit die startpositie heb ik de volgende vragen.

1. Is het de ambitie van de Raad om de doorlooptijd zoals die thans is gedefinieerd met 40% te verlagen? Dat zou betekenen dat die, in dagen gerekend voor de MK-zaken, terug moet van 330 naar krap 200 dagen en voor de PR-zaken van 240 naar ruim 140 dagen. Daarbij gaat het om respectievelijk 75.000 en 13.000 zaken. Heeft de Raad daarover dan al afspraken gemaakt met het OM dat in dat geval ook zijn bijdrage zal moeten leveren? Of is de Raad voornemens een splitsing te maken voor het OM- en het ZM-traject, met als groot bezwaar dat een vergelijking met de huidige situatie niet mogelijk is omdat, zoals gezegd, gegevens over die afzonderlijke trajecten tot op heden ontbreken?

2. Het OM c.s. is druk doende het zogenaamde ZSM-project gestalte te geven waarbij kleinere misdrijven op zeer korte termijn worden afgedaan. Een van de doelstellingen daarbij is om het aantal te dagvaarden zaken tot het absolute minimum te beperken. Met de strafbeschikking is het sanctiearsenaal van het OM aanzienlijk uitgebreid en het project lijkt vooralsnog een groot succes. Als er geen splitsing van de doorlooptijd plaatsvindt, wordt het succes van het OM, dat in dit kader binnen 5 dagen dagvaardt, dan eenvoudig op het conto van de rechter bijgeschreven?

3. Het eerder genoemde uitgangspunt (om zo weinig mogelijk te dagvaarden) zal er ook toe leiden dat de instroom van PR-zaken verder zal dalen, in 2018 misschien wel tot 40.000 zaken. Die zaken zullen gemiddeld hoogstwaarschijnlijk wel wat zwaarder zijn dan de huidige 75.000. Tegelijkertijd zijn het er wel zovéél minder dat een reductie van de doorlooptijd met dezelfde personele inzet, nauwelijks als een serieuze prestatie valt aan te merken.

Kortom: het voornemen van de Raad valt te prijzen, maar voor burgers en Kamerleden, die geïnteresseerd zijn in de realisering ervan kan het wellicht geen kwaad als de Raad nog wat nauwkeuriger aangeeft, wat er nu in 2018 exact moet zijn bereikt. Anders blijft het bij vage, uiteindelijk niet te verifiëren, voornemens en dat zou onder de maat zijn voor een organisatie die ook op dit terrein de waarheid een warm hart zou moeten toedragen.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie