Tien antwoorden van de strafrechter (deel 3)

Hieronder vindt u het derde interview in de serie “Tien antwoorden van de strafrechter”. De opzet is analoog aan “De tien geboden” in Trouw en de tekst bevat een tiental vaste vragen. De tien vragen zijn deze keer gericht aan mr. A.J. Smit, raadsheer bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Kort curriculum

1992: straf- en privaatrechtelijk afgestudeerd in het Nederlands recht aan de Universiteit Utrecht
1991: beleidsmedewerker bij het parket van de Procureur-Generaal in Arnhem
1996: advocaat bij Abma & Van Eeuwijk advocaten te Amsterdam
2004: rechter bij de rechtbank Utrecht, sector strafrecht
2011 tot heden: raadsheer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, afdeling strafrecht, locatie Arnhem

Wie is uw leermeester?

Mijn belangrijkste leermeester was mijn vader. Hij was geen jurist maar had het geweest kunnen zijn. Van hem heb ik geleerd dat op het eerste gezicht ingewikkelde problemen in de kern vaak heel eenvoudig op te lossen zijn. Daarnaast noem ik graag Constatijn Kelk die tijdens mijn studie rechten in Utrecht in de tachtiger jaren van de vorige eeuw bepalend was voor de ontwikkeling van mijn ideeën over strafrecht en de (on)mogelijkheden daarvan als oplossing voor maatschappelijke problemen. Aan strafvordering was, zo bleek na mijn studie, tijdens de opleiding veel te weinig aandacht besteed maar dogmatiek is voor de vorming en ontwikkeling van juristen in die fase veel belangrijker.
Tenslotte noem ik Gabriël Meijers die mij heeft geleerd om op een integere wijze de verdediging in strafzaken te organiseren. Van hem heb ik ook geleerd dat met het uitsluitend dienen door een advocaat van de belangen van de verdachte juist ook een groot maatschappelijk belang wordt gediend hetgeen door het publiek wel eens wordt vergeten.

Hoe organiseert u uw eigen werk?

Het zittingswerk wordt voor een belangrijk deel bepaald door een door anderen gemaakt rooster met vastgestelde zittingsdata. Op de invulling van die zittingen kunnen rechters invloed hebben. De uitvoering van het zittingswerk is een steeds terugkerend schema van het lezen van dossiers, bespreken daarvan met procespartijen op een openbare zitting, het nemen van beslissingen en het opschrijven daarvan. Elke fase kent zijn eigen interessante dynamiek en ondanks het repeterend karakter is het werk door de afwisseling van casussen en daarbij betrokken personen nooit saai te noemen. Naast strafzittingen bestaat mijn werk ook uit het horen van getuigen als raadsheer-commissaris. De planning en uitvoering van die werkzaamheden zijn voor een groot gedeelte zelf in te vullen door de rechters in overleg met de griffie en andere procespartijen.

Wat is uw belangrijkste doel bij het behandelen van de strafzaak?

Het is mijn streven om er voor te zorgen dat procespartijen en met name de verdachte na afloop van de behandeling van zijn strafzaak, het gevoel hebben gehad dat zij zoveel als mogelijk is in een gedwongen en met symboliek omgeven setting van een strafzitting, hebben kunnen zeggen wat zij belangrijk vonden. Dit gevoel om gehoord te zijn maakt op een later moment ook de acceptatie van beslissingen eenvoudiger. Een belangrijke factor hierin is persoon van de rechter die in de relatief beperkte en vooraf bepaalde tijd wezenlijk contact moet zien te maken met een verdachte en met hem zo ongedwongen mogelijk het gesprek moet aangaan waarbij alle informatie die van belang is voor de te nemen beslissing aan de orde komt. Voor het telkens welslagen van deze opgave is het mijn stellige overtuiging dat veel afhangt van de ervaring en vaardigheden van de rechter en zijn vermogen om te schakelen in communicatiestijlen. Nog wezenlijker is, denk ik, de onmisbare eigenschap bij rechters van werkelijke interesse in, en nieuwsgierigheid naar, mensen en hun beweegredenen.

Hoe ervaart u de opstelling van het openbaar ministerie?

Het openbaar ministerie bij het gerechtshof wordt vertegenwoordigd door de advocaat-generaal en het standpunt van de advocaat-generaal wordt doorgaans als een belangrijke steun ervaren bij de vorming van een beslissing in een strafzaak. Dit is zeker zo als de opstelling van de advocaat-generaal blijkt geeft van een weging van belangen waarbij ook uitdrukkelijk rekening is gehouden met de belangen van de verdachte en die belangen ook worden benoemd.

Hoe kan de raadsman tot een efficiëntere verdediging komen?

Efficiency is maar één aspect van de verdediging in strafzaken en gezien vanuit de positie van de rechter en vanuit het belang van een voortvarende afdoening van strafzaken lijkt dat een belangrijk aspect. Niemand heeft immers op het moment van een pleidooi behoefte aan bijvoorbeeld een herhaling van feiten die niet noodzakelijk is om juridische verweren te onderbouwen. Van belang is het voor een advocaat om hoe dan ook de aandacht van de rechter te pakken en vast te houden. Inlevingsvermogen van de advocaat in de rol van de rechter en in zijn taak zou een efficiënte verdediging ten goede kunnen komen. De kern van een efficiënte verdediging zou kunnen zijn gelegen in het volgende. Aanvoelen door kennis en ervaring waar de “pijnpunten” van een strafzaak liggen, de verdediging daarop focussen en verweren zo beperkt mogelijk onderbouwen met feiten uit het dossier en vervolgens de rechter in zo kort mogelijke tijd “meenemen” in een alternatief betoog naar een voor de verdachte zo gunstig mogelijke beslissing. Ook zijn omstandigheden denkbaar waarin een transparante opstelling van de verdediging vruchten zou kunnen afwerpen en het is zelfs denkbaar dat bijvoorbeeld al voorafgaand aan de behandeling van een strafzaak aan de rechter en het openbaar ministerie in grote lijnen het pleidooi kenbaar wordt gemaakt en onderliggende stukken of aanvullende informatie wordt meegestuurd. Bij dit alles moet evenwel bedacht worden dat advocaten uitsluitend het belang van hun cliënt dienen en zij in de communicatie met cliënten ook overeenstemming moeten zien te krijgen over de wijze en de stijl van de verdediging. Als advocaat ben je immers ook ondernemer en is de klant koning en is een, in ogen van anderen, efficiënte verdediging soms ondergeschikt aan zijn wensen. Dit aspect van de relatie tussen verdachte en advocaat onttrekt zich aan het zicht van de andere procespartijen en het vergt van de rechter vaak ook inlevingsvermogen om dat in te zien en een in zijn ogen mogelijk minder efficiënt pleidooi op waarde te schatten.

Welk strafrechtelijk leerstuk intrigeert u het meest?

Dat zijn er eigenlijk twee, poging en noodweer. De overeenkomst tussen deze leerstukken is dat ze op de grens liggen van strafbaar en straffeloos handelen. Noodweer intrigeert mij vanwege de eeuwenoude behoefte aan eigenrichting en de even zo oude behoefte dit te begrenzen door een onafhankelijk gezag. Juist bij noodweer moet die grens aan de hand van concrete casussen door de rechter worden geschetst, bewaakt en in een steeds veranderende maatschappij zo nodig worden bijgesteld zodat mensen weten onder welke omstandigheden zij gerechtvaardigd geweld mogen gebruiken. Poging intrigeert mij vanwege de uiterlijke verschijningsvorm van handelen waaruit de wil moet worden afgeleid om te kunnen beoordelen of sprake is van strafbaar handelen. De enkele gedachte om een strafbaar feit te plegen is immers niet strafbaar.

Hoe heeft u zich als strafrechter ontwikkeld?

Ik heb geruime tijd in de ondersteuning van het tweedelijnsparket van het openbaar ministerie gewerkt en “in de luwte” zodoende veel theoretische kennis opgedaan. Daarna ben ik geruime tijd strafadvocaat geweest en ook die ervaring is zeer waardevol geweest voor het werk als (unus)rechter. In de afgelopen jaren is er terecht een toenemende aandacht voor een efficiënte organisatie van de rechtspraak en ook ik heb mij daarin ontwikkeld. De samenleving verlangt een voortvarende en zorgvuldige afdoening waarbij beslissingen ook duidelijk worden uitgelegd. Motiveren gebeurt nu meer en beter dan voorheen en dat is een bevredigende ontwikkeling. Anderzijds betekent dit dat ook van het openbaar ministerie en van de advocatuur een voortvarende proceshouding mag worden verwacht. Het gevolg is een positief kritische benadering van verzoeken als het gaat om de tijdigheid en onderbouwing. Een transparante opstelling van alle partijen waarbij tijdig verzocht wordt om in het kader van een zorgvuldige weging het nodige onderzoek te verrichten, werpt de meeste vruchten af. Door het voortbouwend karakter van het hoger beroep bereid ik mijn zaken niet anders voor maar wordt tijdens de behandeling meer de nadruk gelegd op de geschilpunten van de procespartijen naar aanleiding van het vonnis. Die benadering spreekt mij ook zeer aan.

Voelt u zich als rechterlijk ambtenaar meer rechter of ambtenaar?

Ik voel mij zeker meer rechter dan ambtenaar en dat komt vooral doordat er ruimte is om zelf het werk te organiseren en invloed uit te oefenen op de omvang en de inhoud van het werk.

Ziet u het spreken van recht en de organisatie daarvan als gescheiden werelden?

Nee, maar de organisatie van het recht moet faciliterend zijn voor de rechtspraak. Met andere woorden, het spreken van recht moet zo zijn georganiseerd dat het de kwaliteit van beslissingen ten goede komt en het de rechter mogelijk maakt en de ruimte geeft om zijn werk goed te kunnen doen. In ieder geval moeten rechtssubjecten zo min mogelijk “last hebben” van de organisatie van het recht en kan een falende organisatie nimmer een gerechtvaardigd excuus zijn voor aanhoudingen van strafzaken en een vertraagde behandeling daarvan.

Welke ontwikkeling binnen de rechterlijke organisatie betreurt u het meest en welke ontwikkeling juicht u het meest toe?

Ik juich de toenemende aandacht toe voor efficiency in de rechtspraak op een verantwoorde wijze waardoor de kwaliteit en zorgvuldige totstandkoming van rechterlijke beslissingen wordt verbeterd. Milde kritiek is zo nu en dan denkbaar op allerlei ontwikkelingen in de rechterlijke organisatie maar ik betreur geen enkele recente ontwikkeling.

2 gedachten over “Tien antwoorden van de strafrechter (deel 3)

  1. Pingback: Deze rechters riskeerden Anne Fabers leven — Saltmines

  2. Pingback: DEZE RECHTERS RISKEERDEN ANNE FABERS LEVEN | Stop de Bankiers

Reacties zijn gesloten.