Bijdrage hoorzitting Tweede Kamer 5 maart 2014 over het tweefasenproces

1. Inleiding
Het thans aanhangige voorstel om de inrichting van het strafproces te differentiëren in twee fasen, dat van de schuldvraag en die van de strafoplegging is niet nieuw. Enkele decennia geleden werd al gepleit voor twee berechtingsfasen. De toenmalige A-G bij de Hoge Raad en hoogleraar Jan Leijten bepleitte dit in 1979 omdat hij de emoties van de slachtoffers niet wilde vermengen met de zakelijke beoordeling van de schuldvraag. De sterker opkomende belangen van slachtoffers alsmede de proceshouding van verdachten heeft de huidige idee van gefragmenteerde berechting gekatalyseerd. De gedachte is dat het slachtoffer geen sluitstuk in het strafproces mag vormen en dat verdachten geen TBS mogen ontlopen door te weigeren mee te werken aan de onderzoek dat nodig is om de maatregel van TBS op te leggen. Mijn voorzichtigheid is vooral ingegeven door organisatorische bezwaren. Ik heb kennis genomen van de aarzelingen van staatssecretaris Teeven over de invoering van een tweefasenproces. Omdat dit idee nog boven de parlementaire markt zweeft zal ik er eerst bij stilstaan.

2. Tussen sympathie en een tweefasenproces staan enkele bezwaren
Een belangrijke beleidsdoelstelling is te komen tot een versnelling van de doorlooptijden van strafzaken, in het bijzonder om voor de slachtoffers sneller helderheid te verschaffen over het daderschap en de schadevergoeding te bespoedigen.
Een tweede doelstelling is te komen tot een efficiënter en effectiever strafproces. Daartoe dienen de programma’s KEI en VPS die in 2016 zouden leiden tot meer automatisering, digitalisering en standaardisatie van werken. Door deze technische en organisatorische innovaties zou 120 miljoen Euro in 2016 kunnen worden bezuinigd. Deze ombuigingen zijn reeds ingeboekt op de Rijksbegroting.
KEI en VPS gaan, zoals door velen is voorspeld, geen resultaat in 2016 opleveren, maar lopen vertraging op. Thans wordt door de beleidsmaker gesteld dat het 2018 wordt. Eenieder die wel eens een verbouwing van een huis heeft meegemaakt, weet dat de verbouwing langer duurt dan de aannemer stelt. Dat KEI pas na 2020 enig rendement laat zien, lijkt een valide aanname. Het strafproces moet dus sneller en de Rechtspraakbegroting leert dat er geen geld is, juist een tekort.

De mogelijkheden om naast vorenstaande beleidswensen en organisatorische realiteiten nieuwe strafvorderlijke verbouwingen in de rechtspraak te realiseren, zijn klein. Temeer indien we beseffen dat een tweefasenproces een immens ingewikkeld organisatorische dynamiek oplevert die alle doelen laat sneven. In de eerste plaats levert een tweefasenproces door de langere berechtingsduur navenant slechtere doorlooptijden op. In de tweede plaats valt nauwelijks te organiseren dat dezelfde rechters die zich over de schuldvraag hebben gebogen ook de latere strafopleggingsfase voor hun rekening nemen. Het opknippen van de procedure in twee fasen genereert langere wachtlijsten, meer rechters en ondersteuning en bijzonder grote organisatorische problemen voor het zittingsrooster omdat in beide fasen dezelfde rechters moeten zitting nemen. Bij het verval van deze wettelijke eis van dezelfde rechterlijke samenstelling zullen nieuwe rechters het dossier grondig moeten bestuderen om te begrijpen waarom de eerdere rechters voor deze en geen andere bewijsbeslissing hebben gekozen. De wijze waarop de schuld (in de zin van verwijtbaarheid) wordt bepaald, is immers richtinggevend voor de sanctiekeuze. De extra rechters, ondersteunende medewerkers en de gebouwelijke uitbreiding zullen het tekort op de Rijksbegroting sterk ophogen. De problemen die met deze herschikking van werkprocessen gepaard gaan, zal bovendien de spanning in de rechtspraak tot grotere hoogte opjagen.

3. Het alternatief van staatssecretaris Teeven: praktische uitbouw van het spreekrecht
De inzet van de bewindsman om af te zien van een tweefasenproces verdient waardering. Mij gaat het er om dat de bestaande organisatie van het strafproces niet bovenmatig wordt belast en verbouwd. Met het huidige voorstel is dat niet langer aan de orde. Het is voor mij wel de vraag of we het formele adviesrecht moeten aanvaarden zoals dat in het voorliggende ontwerp ligt verzonken. Er zijn twee opties.

a. Er zijn criticasters die menen dat veel rechters de omslag naar een prudente inbedding van dat spreekrecht nieuwe stijl in het bestaande strafproces niet gemakkelijk zal vallen, omdat nu eenmaal de ene categorie strafrechters moeizamer ter zitting functioneert dan de andere, en niet iedereen met overwicht emoties ter zitting kan ecarteren. In deze visie voorziet men emotionele ontsporingen van het verloop van de zitting. Indien dat geringere vertrouwen in de elasticiteit van de rechtspraktijk overheerst ligt een andere wettelijke structuur voor de hand. Daarbij kunnen de vele genuanceerde voorstellen uit het Groningse rapport van Keulen c.s. de nodige handvatten bieden. In dat geval staan vanuit twijfel aan het benodigde rechterlijk flegma in de zittingzaal dogmatische systeemkenmerken in de weg aan een uitgebreider spreekrecht over daad en dader.

b. Ik hel over naar een grotere deformalisering in de wettelijke regeling van het onderzoek ter zitting, dat bovendien stoelt op de uitgangspunten van Strafvordering 2001 (in het bijzonder deel 4 van dit grote project, getiteld Afronding en Verantwoording, Deventer 2004, paragraaf 2.2.6, Legaliteit en context, pp. 32-34). Indien het parlement aan een wetstechnisch simpele uitbouw van de positie van het slachtoffer ter zitting hecht, kan art. 51e Wetboek van Strafrecht in dier voege worden gewijzigd dat de beperking vervalt dat het slachtoffer alleen kan verklaren over de gevolgen van het strafbare feit. Daarmee wordt in de wettelijke regeling en in de strafprocespraktijk een scheiding tussen spreekrecht en adviesrecht voorkomen. Deze operatie is het meest eenvoudig, maar staat en valt met een cruciaal voorbehoud, te weten dat er een prudente en verstandige bejegening van de strafrechter nodig is die met overwicht bewaakt dat het slachtoffer dat spreekrecht niet onbegrensd en onbeschaamd invult. Het komt er op aan dat het slachtoffer de verdachte niet gaat zwartmaken en dat de verdachte niet omgekeerd allerlei beschuldigingen gaat uiten en het transformeren van slachtoffers in getuigen wordt voorkomen. In deze tweede optie draagt normerende regelgeving niet bij aan een verstandige rechtspraak en procesvoering en kan het amendement van de kamerleden Van der Steur en Recourt over een minder geclausuleerd spreekrecht, waarbij uitdrukkelijk niet wordt gesproken over het adviesrecht, gesteund worden (TK 2011-2012, 33176, nr. 8). Ik beklemtoon: mits we vertrouwen op de elasticiteit van de rechtspraktijk en de inventiviteit van de strafrechter en niet direct alle potentiële theoretische belemmeringen en beelden over secundaire victimisatie uitvergroten. Mijn functionele vertrouwen in een praktisch ingestelde rechter verdringt geuite vage zorgen over schadelijke effecten van een uitgebreid spreekrecht op de rechtsstatelijkheid van het strafproces.

4. De weigerende observandus
Een tweede belangrijke reden waarom in het verleden wel eens is gepleit voor een tweefasenproces is de problematiek rond de weigerende observandus. Ook hier is de staatssecretaris te prijzen dat hij de oplossing niet zoekt in een tweefasenproces. Het is echter de vraag hoe zijn voorstel de rechter de bevoegdheid te geven historische onderzoeksgegevens te vorderen zich verhoudt tot het recht op privacy van de verdachte. Bovendien is hier ook een ander simpeler alternatief voorhanden. Zo zou artikel 37a lid 3 Sr kunnen worden gewijzigd door de eis te laten vallen dat de rechter slechts tot oplegging van TBS kan komen indien er een multidisciplinair gedragskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. De strafrechter moet vrijer gemaakt worden om ook bij een weigerende observandus TBS op te leggen als hij aan de hand van oudere rapportages en indrukken ter zitting meent dat de verdachte lijdt aan een stoornis onder welke invloed het misdrijf (geheel of gedeeltelijk) is gepleegd. Maak de rechter minder afhankelijk van deskundigen. Dit punt wordt klemmender als het strakke onderscheid tussen straf en maatregel onder de loep wordt gelegd. Bij een maatregel lijkt de rechter meer te moeten steunen op de gedragsdeskundige, bij een straf kan de strafrechter eigenstandig beslissen. In dat verband wil ik reflectie betrachten voor de langere termijn en aandacht vragen voor oudere voorstellen die de huidige stagnatie rond min of meer gestoorde delinquenten doorbreken.

De huidige stagnatie in de executie is drieledig: 1) de te lange en te kostbare behandelduur in de TBS, 2) het einde van de tijdelijke gevangenisstraf bij nog steeds gevaarlijke veroordeelden en 3) het levenslange karakter van de Nederlandse levenslange gevangenisstraf. In plaats van fixatie op een tweefasenproces is het beter onderzoek te doen naar een ander strafbegrip dat de drie genoemde spanningen oplost. Sinds jaar en dag pleit ik voor een ander strafbegrip dat de maatregel voor minder toerekeningsvatbare daders laat opgaan in een ruimer vergeldingsbegrip van de straf.

In dat verband vraag ik aandacht voor een iets ouder voorstel van de Groningse hoogleraar Keulen (NJB 2002, p. 1097). Laat de strafrechter in plaats van een gefixeerde gevangenisstraf kiezen voor een bandbreedte. Bij levensdelicten kan in het vonnis een straf bepaald worden, minimaal van bijvoorbeeld tien jaar tot maximaal levenslang. Vervolgens kan in de executie bepaald worden welke penitentiaire en forensische behandelmodules aangewezen zijn, en soms ten uitvoer gelegd in de bestaande forensische klinieken, die bij medewerking van de veroordeelde en bij gebleken succes tot een korting van de bruto strafduur kunnen leiden (vergelijk Commissie Fokkens). Via rechterlijke toetsingsprocedures kan de billijkheid van de langer lopende gevangenisstraffen worden bewaakt. Deze gedachte stut mede op het rapport van de commissie Vrijheidsbeperking door Voorwaarden dat de Minister van Justitie op 4 april 2004 aan de Tweede Kamer zond en waarin ter zake de voorwaardelijke invrijheidsstelling en de voorwaardelijke veroordeling werd verdedigd dat de rechter bij vonnis het eerste jaar van de vrijheidsbeneming nog kan overzien, maar dat daarna de executieve organen meer zicht op de veroordeelde en op het verloop van diens straf hebben. Voortbouwend op deze gedachte kan de maatregel van TBS opgaan in de vrijheidsstraf en is geborgd dat gevaarlijke misdadigers niet vrijkomen zonder de benodigde veiligheids- en behandelgaranties. Met een dergelijke lange termijn visie zijn geen geforceerde wetswijzigingen voor korte termijn oplossingen nodig, zoals het vorderen van medische gegevens van artsen in het voorliggende wetsvoorstel, of problemen rond voorwaardelijke invrijheidsstellingen die voor sommige veroordeelden te vroeg lijken te komen.

De kern van mijn advies aan uw Kamer(commissie) luidt: stuur aan op ruimte voor de rechter ter zake slachtoffer, deskundigen en strafmaat en doe onderzoek naar meer discretionaire ruimte voor de executieve organen ter zake de tenuitvoerlegging op maat.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden