De klagende rechters

“Lies, damned lies, and statistics”. Aan deze, aan de 19e eeuwse Britse prime minister Disraeli toegeschreven en door de schrijver Mark Twain bekend geworden uitdrukking moest ik denken bij het lezen van de gepeperde opinies van Dato Steenhuis met betrekking tot de werkdruk van rechters. Steenhuis neemt stelling tegen het fenomeen dat de magistratuur klaagt over de werkdruk terwijl het budget in de afgelopen 7 jaren juist is verhoogd en de productie met een kwart is gedaald. Voorts windt hij zich op over het recente interview in Nieuwsuur met de voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak die –aldus Steenhuis– gespeend van kritische journalistiek en van iedere poging tot waarheidsvinding een onderzoek over de werkdruk, uitgevoerd door eigen parochie, voor het voetlicht mocht brengen.

Ik versta de kritiek van Steenhuis zodanig dat hij maant tot kritisch beschouwen van beweringen over de werkdruk als de cijfers over die werkdruk juist een andere richting op wijzen. Dat kan ik op voorhand onderstrepen. Niets menselijks is de rechter vreemd en het is geenszins ondenkbaar dat een rechterlijke cultuur is ontstaan waarbij het bon ton is te klagen over de toegenomen werklast. Daarbij hecht Steenhuis echter mijns inziens teveel waarde aan de door hem genoemde statistieken en doet hij geen recht aan het gedegen ogende Eindrapport werkdrukonderzoek rechterlijke macht, uitgevoerd door de Hogeschool Utrecht en Radboud Universiteit Nijmegen in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak.

Op basis van mijn ervaringen als griffier in de meervoudige strafkamer (begin jaren 90), als strafrechtadvocaat (vanaf 1992) en als rechter-plaatsvervanger in de strafsector (vanaf 2011) kan ik een poging wagen de discrepantie tussen de door rechters ervaren werkdruk en de door Steenhuis genoemde cijfers te verklaren.

Om te beginnen zijn de MK vonnissen aanmerkelijk bewerkelijker dan vroeger. De vonnissen in mijn griffierstijd bevatten veelal niet meer dan de bewezenverklaring en de strafmaat. Ik heb concept vonnissen gemaakt in moord/doodslag zaken waarbij ik binnen een uurtje klaar was. Bewijsoverwegingen waren uitzondering, strafmaatoverwegingen veelal standaard. Een vonnis was dientengevolge vaak niet meer dan het in de juiste volgorde zetten van een aantal standaard bouwstenen. Het nakijken door de rechters van deze concepten nam navenant niet veel tijd in beslag. Pas bij een ingesteld appel werd het vonnis met bewijsmiddelen aangevuld.

Tegenwoordig kennen we een uitgebreide motiveringsplicht voor de rechter. Daarnaast zijn de vanaf 2008 geïmplementeerde Promis vonnissen extra bewerkelijk vanwege het beschrijven van de vastgestelde feiten en omstandigheden met verwijzing naar de gebezigde bewijsmiddelen. Weliswaar is het vonnis/arrest dan gelijk uitgewerkt voor hoger beroep of cassatie doch dat lijkt niet de toegenomen werklast te compenseren in zaken waarin geen appel wordt ingesteld.

Voorts constateer ik als advocaat in onze praktijk een afname van de lichte strafzaken (winkeldiefstal, mishandeling, vernieling). We zien ze nog wel in de piketdienst in het kader van het verlenen van consultatiebijstand maar tot een zitting komt het doorgaans niet meer. Dat is niet verwonderlijk nu de lichte zaken veelal buiten de rechter worden afgedaan door de officier van justitie via ZSM en strafbeschikkingen. Daarvan zijn uitgezonderd de “lichte zaken” die ingewikkelder liggen hetzij door feitelijke complexiteit hetzij door de persoon van verdachte. Die zaken worden door de politierechter beoordeeld. Dientengevolge is het gewicht van de gemiddelde “lichte zaak” die op een politierechterzitting wordt behandeld een andere dan 7 jaar geleden. Dat laat zich evenwel -naar ik aanneem- niet uit de statistieken van Steenhuis afleiden.

Voorts is in de advocatuur veel aandacht gekomen voor kwaliteitsverbetering van de strafrechtadvocaat. De Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten is behoorlijk gegroeid in de afgelopen jaren. Die toename van strafrechtspecialisten zal -naar mag worden verondersteld- tot gevolg hebben gehad dat thans meer en beter onderbouwde verweren worden gevoerd dan voorheen. Verweren die leiden tot nader onderzoek (getuigenverhoren, contra-expertise) en aangehouden zittingen en/of tot een groter beroep op de responsieplicht van de rechter (uitgebreide vonnissen). Er is bovendien sprake van een toename van wrakingsincidenten.

Er is tevens meer aandacht gekomen voor slachtoffers. Ik neem waar dat vorderingen van benadeelde partijen in hoeveelheid en complexiteit zijn toegenomen. Slachtofferverklaringen worden ter terechtzitting voorgelezen en slachtoffers kunnen nu t.b.v. het bewijs in de strafzaak zelf stukken aandragen. Dat heeft onmiskenbaar invloed op de bewerkelijkheid van een strafzaak.

Ik kom tot de conclusie dat waar Steenhuis wijst op de statistieken hij mijns inziens miskent dat over de hele linie -zowel bij de “zware” als de “lichte”zaken- de behandeltijd is toegenomen en de vonnissen en arresten door de toegenomen motiveringsplicht bewerkelijker zijn. Dat heeft mijns inziens geleid tot betere rechtspraak. Maar ook tot een verhoogde werkdruk.

Waar wij vroeger in de advocatuur nog wel eens tegen elkaar zeiden, nadat we weer eens tot in de late uren hadden doorgewerkt, dat we wilden overstappen naar de rechterlijke macht om eens wat meer vrije tijd te hebben, moet ik thans constateren dat in mijn omgeving de rechters minstens zo hard werken als de advocaten. Met het verschil dat in de advocatuur hard werken invloed heeft op de hoogte van het inkomen.

Als ik moet kiezen tussen statistieken en de collectieve ervaring van rechters dat hun werklast te hoog is, is mijn keuze snel gemaakt. Wat niet wegneemt dat bij het volgende interview met de voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak zeker eens gevraagd moet worden hoe die toegenomen werkdruk van de rechters nu eigenlijk moet worden gezien in het licht van de afgenomen hoeveelheid vonnissen.

Marcel van der Voet
Strafpleiter