1. De magistraat kan groter zijn dan de som der organisatorische delen van de rechtspraak

Vanuit de arbeidssociologie heb ik in mijn oratie “Organiseren en verantwoorden door de strafrechter. Enkele gedachten over de organisatie van het strafproces” geprobeerd de gefragmenteerde organisatie van het strafproces te verklaren. De opgeknipte organisatie van de rechtspraak had in Weberiaanse optiek kunnen leiden tot functionele afhankelijkheid en solidariteit tussen de verschillende actoren in de strafrechtspraak. De gefragmenteerde organisatie heeft echter veeleer tot een gevangenisbeleving geleid voor de verschillende hoofdrolspelers, de strafrechter en de officier van justitie in het bijzonder. De gevolgen zijn ernstig en de problemen verdiepen zich. Drie jaar nadat ik mijn tweede oratie uitsprak is er een manifest van opstandige rechters en worden de haarscheuren bemanteld. De verhoudingen zijn scherper geworden, sommige rechters poneren hun boosheid en vage oplossingen via de mail. De gevolgen voor de justitiabelen zijn eveneens groot. Strafzaken blijven langer liggen en het aantal aangehouden zaken is groot. Afgezet tegen de gestegen budgetten daalt het aantal strafzaken gestaag en neemt het openbaar ministerie vanaf 2016 65 % van de strafzaken voor zijn rekening met een strafbeschikking en andere buitengerechtelijke afdoeningsmodaliteiten. Voor de schuldvragen wijzen strafrechters naar elkaar, de leiding, het openbaar ministerie of de politiek en de geldschieters. Het heeft echter weinig zin om schuld eendimensionaal te stipuleren. Schuld wordt helaas als neerdrukkende beschuldiging van anderen gebruikt. Een meer constructieve uitleg van schuld is die van het nemen van verantwoordelijkheid, het leren van bescheidenheid als het niet lukt om de aangegane schuld in te lossen, en op grond van dat tekortschieten zich onderling solidair voelen met de andere lotgenoten van de werkgemeenschap.

Instincten worden in een rationeel aandoende wereld gesmaad. Soms is het echter verstandiger om onlustgevoelens serieus te nemen. Van die ondergrondse krachten, of het nu om een anoniem manifest van rechters gaat of om publieke onvrede met de wijze van bestraffing, gaat een stuwing uit die de rechtspraak beter niet kan miskennen. Het recht vormt de spiegel van de samenleving en dus kan de rechtspraak die onderstromen beter onderkennen en die zo mogelijk een plaats in de taak- of rechtsopvatting geven. Het zoeken naar een verstandige vertaling van de onderstromen in het volk of op de werkvloer mag natuurlijk niet uitmonden in mandarijnentaal omdat daarmee de kloof wordt verdiept en de risico’s op gezagsverval vergroot. De antwoorden zijn lastig, maar de oplossing lijkt niet de media de rechtszalen te laten binnen marcheren respectievelijk mee te deinen met de rechters of te verkondigen dat geld geen rol speelt. Rechters en burgers respectievelijk leiding en rechters horen bij elkaar, of ze het nu willen of niet, en elk isolement leidt uiteindelijk tot sloop van het gebouw en vervanging door anarchie.

Ik claim sinds jaar en dag dat organisatie en recht bij elkaar horen en dat het Wetboek van Strafvordering niet anders begrepen kan worden dan dat de rechter ook organisatorische verantwoordelijkheid draagt voor de strafzaken die hij berecht. Dat is een omstreden stelling. Veel rechters vinden management en organiseren besmuikte begrippen en zelf kunnen, willen of mogen ze niet organiseren. Mogelijk mede op grond van die weerstand van rechters tegen efficiënt organiseren heeft de leiding de organisatie van het proces van de rechter overgenomen. Dat laatste is geen goede benadering van het diepe probleem, maar het is ook niet gezond als rechters de organisatie en de leiding ziek vinden. De rechter is de kern van het gerechtelijk universum, maar er kan geen rechter recht spreken zonder organisatie. Omgekeerd raken bestuurders hun positie kwijt als honderden strafrechters hun werk zouden neerleggen. Omdat de rechters uit zichzelf weinig genegen lijken om hun eigen werk (beter) te organiseren of om hun geklaag om te zetten in het zelf de hand aan de ploeg slaan, zal de leiding verstand moeten ontwikkelen om de organisatie weer meer om de rechter heen te bouwen. Dat verstand vangt aan met het besef dat de rechter niet één van de schakeltjes in de organisatie is, maar het hart van het bedrijf.

Ik wissel vaak van perspectief. De ene keer signaleer ik de ernst van het al dan niet anonieme geklaag van een deel van de rechters en hun onvermogen om boven zichzelf uit te stijgen en met meer reflectie te aanvaarden dat het niet om hen individueel draait. De andere keer sta ik stil bij het perspectief van de 45 bestuurders van de strafrechtspraak dat de organisatie langs eenduidige lijnen moet plaatsvinden. Men wil geen duizend bloemen laten bloeien. Vanuit het huidige bestuurlijke perspectief zijn verschillende werkwijzen moeilijk aanvaardbaar vanwege de ontbrekende vergelijkende maatstaf. Van de 1000 strafrechters kan een deel het eigen en andermans werk goed organiseren, een ander deel komt in de zittingzaal slecht uit de verf, weer een ander deel kan niet goed schrijven of raadkameren, een niet onbelangrijk deel is ontevreden met zichzelf, anderen en de leiding en zo verder. Waarom aanvaardt de leiding niet dat er, mogelijk mede vanuit voornoemde karakterologische, psychologische of juridische aanjagers, niet eenduidig gewerkt kan worden? Niet alleen omdat de handicaps van rechters en leidinggevenden de eigenheid en de uniciteit binnen een organisatie vormen. Hoe doen we zowel recht aan het bestuurlijke en politieke gegeven dat er in het komende tijdvak met minder mensen meer strafzaken gedaan moeten worden als aan het gegeven dat we de eenheidsmal moeten verlaten en rechters in hun verschillende noden, tempi en karakters moeten honoreren? Als het organisatorische en het strafvorderlijke perspectief van de rechter als hoofdpersoon met elkaar verenigd worden en niet langer uit elkaar gespeeld, dan ontstaat er ruimte voor meer verbinding dan thans mogelijk is. Deze schets is eveneens van toepassing op het openbaar ministerie.

Het zal niet altijd eenvoudig zijn, maar we moeten ons niet ergeren over vorenstaande problemen. Integendeel, we zouden ons kunnen verwonderen over de grote ontwikkelingen van onze gerechtelijke organisatie. Ik heb moeite met een begrip als holisme, maar in de kern drukt het begrip uit dat de eigenschappen van onze rechtspraak niet worden verklaard door de som van de verschillende componenten te nemen, maar het totaalbeeld dient te worden ontleend aan de samenhang van en de interactie tussen de verschillende delen. Het zou winst zijn als de leiding de fragmentatie van de werkprocessen als een van de oorzaken van de verweesde rechtersgemeenschap gaat zien, meer integratie van de organisatie van het strafproces nastreeft en daarin de verschillende kwaliteiten van rechters laat bloeien. Het zou ook winst zijn als rechters uit hun wantrouwende schulp komen en constructief meedenken met de leiding hoe met schaarsere middelen een efficiënter strafproces gebouwd kan worden. Daarop dient de leiding innovatief te sturen.

Morgen deel 2 over de specifieke problemen rond de administraties van ZM en OM die niet een afzonderlijke enclave inhouden, maar wezenlijk zijn verkleefd met de rol van de rechter en de officier van justitie.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden