Tien antwoorden van de strafrechter (deel 2)

Hieronder vindt u het tweede interview in de serie “Tien antwoorden van de strafrechter”. De opzet is analoog aan “De tien geboden” in Trouw en de tekst bevat een tiental vaste vragen. De tien vragen zijn deze keer gericht aan mr. P.C. Quak, senior rechter bij de rechtbank Gelderland.

Kort curriculum

1989-1994: raio (Arnhem en Zutphen)
1994-2005: officier van justitie (Almelo, Rotterdam, Arnhem, met enkele beleidsmatige
detacheringen)
2006-2009: advocaat-generaal, gerechtshof Arnhem
2009-2010: programmamanager NFI, Den Haag
2010-heden: (senior) rechter, rechtbank Gelderland te Arnhem

Wie is uw leermeester?

Ik denk niet dat ik zomaar ‘een’ leermeester kan aanwijzen. Als ik terugkijk op mijn professionele ontwikkeling vanaf mijn studie, begin jaren ’80, dan constateer ik dat – behalve een goede opvoeding – veel personen een voor mij inspirerende rol hebben vervuld. Dat geldt voor docenten aan de VU in Amsterdam (waar ik civiel- en internationaalrechtelijk ben afgestudeerd), voor mijn opleiders in mijn raio-tijd en voor veel mensen met wie ik daarna heb samengewerkt. Als het gaat om professionele ontwikkeling doel ik niet zozeer op ‘kale kennis’ (wat natuurlijk essentieel is), maar vooral op de vraag hoe je omgaat met praktijksituaties en daar je vakkennis op toepast. Met name heb ik geleerd hoe belangrijk ‘vertrouwen’ is om te durven doen wat nodig is.
Trouwens, niet alleen goed advies en voorbeelden van ervaren collega’s, maar ook af en toe eens stevig mijn neus stoten is van belang geweest voor mijn ontwikkeling.
Kortom, als er al één leermeester moet worden genoemd, dan zou ik zeggen: praktijkervaring.

Hoe organiseert u uw eigen werk?

In de strafsector in Arnhem hanteren wij het kamersysteem. In mijn huidige rol ben ik kamervoorzitter: een primus inter pares met een coachende taak, waarbij de nadruk ligt op kwaliteitsbewaking. Mede daarom probeer ik de nodige aandacht te geven aan ‘mijn’ rechters en griffiers. Daarnaast doe ik natuurlijk de normale zittingsgerelateerde werkzaamheden. Nadat ik de dossiers van het parket heb ontvangen, begin ik met het appointeren van zittingen. Als ik in die voorfase al bijzonderheden zie, probeer ik daar samen met de griffier zoveel mogelijk iets verstandigs mee te doen. Het doel is dan om onnodige aanhoudingen te voorkomen. Dat ging lange tijd goed, maar de laatste tijd zie ik steeds meer onvolledigheden die ik niet meer met een voorzittersbeschikking kan oplossen (bijv. ontbreken van betekeningsaktes of relevante rapportages). Na het appointeren ga ik aan mijn zittingen werken: voorbereiden van komende zittingen en schrijfwerk aan zittingen die geweest zijn. Vanwege de late termijn waarop vaak nog stukken worden toegevoegd, of zaken juist niet blijken door te gaan, begin ik niet te vroeg aan de voorbereiding van mijn zittingen: 2 à 3 dagen van te voren. Bij grote zaken is natuurlijk meer leestijd nodig. Ten slotte besteed ik doorgaans het laatste deel van mijn dag aan correctiewerk: vonnissen, PV’s, beschikkingen. Als kamervoorzitter doe ik in beginsel de laatste correctie. Omdat ik hieraan dus pas begin als de collega’s hun aandeel hebben geleverd, komt dit werk vaak aan op de laatste dagen voordat het stuk moet zijn getekend. Er staat dus altijd druk op de ketel.

Wat is uw belangrijkste doel bij het behandelen van de strafzaak?

Ter zitting ben ik gericht op de manier waarop de zaak het beste kan worden afgedaan. Als de feitelijke toedracht niet duidelijk is, vraag ik dóór. Anders wil ik graag zo snel mogelijk naar de bespreking van persoonlijke omstandigheden en de voorstellen van OvJ en verdediging.
De nadruk van een strafzaak ligt op het onderzoek ter terechtzitting. Daar wil ik de verdachte zoveel mogelijk zijn/haar eigen verhaal laten vertellen. Ik kan er daarom slecht tegen als een verdachte niet zelf op zitting komt. De lezing van de verdachte verifieer ik natuurlijk aan de hand van het dossier. Daarbij kan ik behoorlijk kritisch zijn. Soms ervaart een verdachte dat als negatief of zelfs vooringenomen. Maar mijn bedoelingen zijn gericht op het reconstrueren van wat er is gebeurd (en hoe). Ik wil dat, in de beperkt beschikbare tijd, zo goed mogelijk onderzocht hebben. Een goede behandeling van de zaak vergt daarom een kritische houding. En dat kan zeker ook in het voordeel van de verdachte zijn.

Hoe ervaart u de opstelling van het openbaar ministerie?

Anders dan van de officier van justitie, verwacht ik niet zoveel van “het openbaar ministerie”. Het OM als organisatie legt immers niet verantwoording af aan de rechter in de zittingszaal. In de zittingszaal heb ik met de officier van justitie te maken. En daar signaleer ik nogal eens dat het OM – als organisatie – zijn officieren van justitie niet altijd even goed faciliteert. Bij de officieren van justitie zie ik gelukkig een grote betrokkenheid en dossierkennis.

Hoe kan de raadsman tot een efficiëntere verdediging komen?

Als hier met ‘efficiënt’ wordt gedoeld op een effectieve verdediging, antwoord ik dat raadslieden realistisch moeten willen zijn. Als het bewijs In een dossier evident is en er bestaan geen reële gronden om de rechtmatigheid van dat bewijs aan te vechten, zou je gewoon moeten constateren dat er voldoende bewijs is. Klaar. In zo’n geval heeft het veel meer zin om de rechter ervan te overtuigen dat de reactie bijv. moet worden gezocht in de strafmodaliteit. Een rechter legt niet voor z’n lol een gevangenisstraf op. Als de raadsman (M/V) er in slaagt om de rechter ervan te overtuigen dat de verdachte zijn leven kan beteren, is de kans groot dat de strafrechter naar een andere oplossing zoekt, zo mogelijk op maat gesneden. Dat is niet alleen goed voor de verdachte, maar het biedt de samenleving ook een grotere kans om geen last meer te hebben van deze verdachte.

Welk strafrechtelijk leerstuk intrigeert u het meest?

Dat verschilt eerlijk gezegd nogal. Als de Hoge Raad net een principieel interessante uitspraak heeft gedaan, kan ik daar erg mee bezig zijn.
In het algemeen vind ik (procesrechtelijk) ‘het onderzoek ter terechtzitting’ erg boeiend. Het strafproces is immers erg onvoorspelbaar. Het vereist daardoor veel parate kennis, met name van de telkens te hanteren beoordelingsmaatstaf.
Materieelrechtelijk blijf ik geïntrigeerd door de leerstukken met betrekking tot schuld, voorwaardelijk opzet en opzet. Of anders gezegd: de nuances tussen psychisch willen en juridisch willen. Dat boeit me, omdat we weliswaar oordelen over het gedrag van mensen, maar gedrag kun je zelden los zien van de persoonlijkheidsstructuur van die mensen en hun omstandigheden.

Hoe heeft u zich als strafrechter ontwikkeld?

Ik ben nog niet zo lang strafrechter als ik aanklager ben geweest. Maar ik heb wel een lange ervaring met het straf(proces)recht in de zittingszaal. En daarbij heb ik heel veel voorbeelden van rechters gezien: sommige voorbeelden wil ik navolgen, andere motiveren mij om het anders te doen. Met deze voorbeelden in mijn bagage heb ik als strafrechter aanvankelijk wat geëxperimenteerd, met name vanuit de vraag welke aanpak ter zitting het beste bij mij past. Persoonlijk neig ik ernaar mijn zittingshouding mede te laten afhangen van de ’sfeer’ die rond een strafzaak hangt; het verschilt immers nogal of je met een verdachte van winkeldiefstal in een verder lege zittingszaal praat, of een levensdelict behandelt met veel emoties, pers en ander publiek in de zaal…
Daarbij pas ik het strafprocesrecht weliswaar strikt volgens het Wetboek van Strafvordering toe, maar wel met zoveel ongedwongenheid als mogelijk is. Voor wat betreft het materiële strafrecht laat ik zoveel mogelijk over aan de procespartijen, zolang ik maar de informatie krijg die nodig is voor de vragen die ik als strafrechter moet beantwoorden.

Voelt u zich als rechterlijk ambtenaar meer rechter of ambtenaar?

Rechter, natuurlijk!! Ik vind de uitdrukking ‘rechterlijk ambtenaar’ eigenlijk zelfs misplaatst, want het rechterschap heeft meer iets van een ambacht.
De onafhankelijkheid jegens de uitvoerende macht en wetgevende macht, en uiteraard ook jegens de invloed van de media, is van wezensbelang voor de uitoefening van het rechterschap. Anders kun je niet de waarborg tegen willekeur en machtsmisbruik bieden, die noodzakelijk is om een rechtsstaat overeind te houden.
Natuurlijk ben ik realistisch genoeg om te accepteren dat mijn werk beïnvloed wordt door allerlei randvoorwaarden. Daarbij valt te denken aan enerzijds organisatorische (on)mogelijkheden, waarbij overigens geld(gebrek) vaak een rol speelt. En anderzijds denk ik aan het verlangen bij iedereen dat zoveel mogelijk gelijke gevallen op gelijke wijze worden berecht.
Behalve die onafhankelijkheid, is hèt andere kenmerk van het rechterschap dat de rechter over het individuele geval oordeelt. De ervaring met dat laatste leert dat ‘gelijke gevallen’ in de praktijk zelden gelijk zijn. Daarom is er slechts in zeer bescheiden mate ruimte voor rechterlijk ‘beleid’. Wel denk ik dat rechters daarover meer de discussie met elkaar kunnen aangaan. Door meer bij elkaar mee te kijken en met elkaar de discussie te blijven voeren over strafmaten en bejegening, kunnen rechters meer rechtseenheid bereiken, zonder dat de rechterlijke onafhankelijkheid in het geding komt. Mijn waarneming is gelukkig dat dit in toenemende mate gebeurt (‘noblesse oblige’, nietwaar).

Ziet u het spreken van recht en de organisatie daarvan als gescheiden werelden?

Lastig! Strikt genomen: ja. Rechtspleging gebeurt door onafhankelijke rechters in individuele gevallen. Daarbij mag het niet uitmaken welke persoon die rol van rechter vervult; we dragen die toga niet voor niets. Een facilitaire organisatie is noodzakelijk om het werk van rechters mogelijk te maken, maar mag het rechterlijk oordeel niet beïnvloeden. En dat gebeurt natuurlijk wèl als de budgetten fors worden ingekrompen of wanneer de keuze wordt gemaakt om meer budgettaire ruimte te besteden aan overhead in plaats van het primaire proces.
Individuele rechters vormen gezamenlijk de Rechterlijke macht: een verband van professionals, dus. De Rechterlijke macht – als noodzakelijke (!) Staatsmacht – is daarom geen centraal aangestuurde landelijke organisatie, met inhoudelijk beleid, zoals het bestaan van de Raad voor de rechtspraak zou kunnen suggereren.

Welke ontwikkeling binnen de rechterlijke organisatie betreurt u het meest en welke ontwikkeling juicht u het meest toe?

De bureaucratisering binnen de Rechterlijke organisatie betreur ik eigenlijk het meest. Lange tijd heeft in de 20e eeuw het idee bestaan dat je van een los verband van professionals maar beter een professionele organisatie kunt maken. Ik vind dat verouderd èn een denkfout. Natuurlijk kun je zeggen dat rechtspraak een productieproces is: er moeten immers vonnissen en arresten worden geproduceerd. Maar het maakt daarbij echt wel uit of je massaproductie levert of maatwerk. Denk aan de verschillen in assemblage tussen bijvoorbeeld BMW en Ferrari.
Dus ik zou zeggen: als je wilt veranderen, beantwoord dan eerst (publiekelijk) de vraag ‘waarom?’.
Ook de buitenproportionele aandacht voor wat ‘men’ denkt dat de buitenwereld vindt, is zorgelijk. Stel je eens voor dat een ziekenhuisdirectie de chirurg vertelt dat hij voortaan meer operaties in minder tijd moet doen, omdat uit opinieonderzoek blijkt dat patiënten balen van de lange wachttijden. Ik mag hopen dat de chirurg die directie dan vraagt of ook uit het opinieonderzoek blijkt wat patiënten vinden van de kwaliteit van de wel geleverde gezondheidszorg. Het zou toch jammer zijn als straks het aantal operaties is verdubbeld, maar het aantal overleden patiënten verviervoudigt…
Dan zou je het ene probleem weliswaar hebben opgelost, maar een groter probleem gecreëerd. Het rare is dat iedereen dit ziekenhuisvoorbeeld begrijpt, maar als het aankomt op rechtspraak meent men wel te kunnen voorschrijven hoe de rechter zijn werk moet doen.

In het verlengde van deze betreurenswaardige ontwikkelingen vind ik de brief van de Raad voor de rechtspraak van 8 juli 2013 dan wel weer positief. Daarin wordt onderkend dat kwaliteit van rechtspleging belangrijker is dan kwantiteit. Aangekondigd wordt dan ook dat meer zal worden geïnvesteerd in het primaire proces.
En zo komt het hopelijk toch nog goed.