Het nadeel van specialiseren in strafzaken

De verdediging in strafzaken heeft de laatste decennia een ontwikkeling doorgemaakt met als resultaat dat op dit moment voor elke verdachte de mogelijkheid van adequate en professionele rechtsbijstand voorhanden is, ook gefinancierd.
Een belangrijke factor bij die ontwikkeling is geweest dat steeds meer advocaten zich hebben gespecialiseerd in het strafrecht waarbij de titel strafrechtspecialist binnen de advocatuur een beschermde titel is geworden. Een strafrechtspecialist moet aan een aantal eisen voldoen waaronder minimaal 7 jaar advocaat zijn, een minimum aantal strafzaken hebben behandeld en de zeer intensieve en kostbare specialisatieopleiding hebben gevolgd. Onlangs sprak ik met een collega-advocaat die mij toevertrouwde dat hij elk jaar toch wel minimaal één strafzaak wilde doen om zo het gevoel met de strafrechtpraktijk niet te verliezen. Ik vroeg maar niet of zijn cliënt dat ook wist maar dacht wel dat dat toch eigenlijk verboden zou moeten zijn. Anders dan in de media wordt gesuggereerd heeft elke verdachte toegang tot een specialist in strafzaken en vooral verdachten die zich in voorlopige hechtenis bevinden komen daar vaak – maar helaas niet altijd – op tijd achter.
De verdachte maar ook het hele systeem heeft er baat bij dat het strafrecht wordt beoefend door professionals en naar mijn mening zouden advocaten die strafrecht doen zich alleen maar met strafrecht en aanverwante problematiek moeten bezig houden.
En wat voor het strafrecht geldt geldt natuurlijk ook voor een aantal andere rechtsgebieden, steeds meer is het schoenmaker, hou je bij je leest.

Steeds verdergaande specialisatie in de advocatuur bevordert in ieder geval in het strafrecht de kwaliteit van de rechtsbijstand en dus van de strafrechtspleging in zijn geheel maar betekent ook dat van de specialist niet veel meer mag worden verwacht als het gaat om deskundigheid op voor hem “vreemde” rechtsgebieden.
Bij de strafrechtspecialist mag enige basiskennis van het verbintenissenrecht worden verondersteld en hij zal ook (nog) ongeveer weten wat een onrechtmatige daad is, maar laat hem niet een civiele procedure voeren met termijnen voor het nemen van conclusies en het eventueel oproepen van derden in vrijwaring. Het gaat gegarandeerd ergens mis.
De meeste ervaren strafrechtadvocaten en zeker de specialisten onder hen hebben al jaren geleden afscheid genomen van het civiele recht en kunnen dan ook hun vingers daar niet aan branden.

De laatste tijd word ik echter steeds vaker geconfronteerd met de keerzijde van de specialisatie. Ongewild en naar mijn mening ook ongewenst blijkt voor mij en collega-strafpleiters dat onze verregaande specialisatie in een aantal strafzaken een handicap is.

Tot de beginjaren negentig stonden slachtoffers (daaronder hier ook nabestaanden begrepen) na het strafproces in de kou met hun schade omdat zij om vergoeding af te dwingen in civilibus moesten optreden met alle daarbij behorende bezwaren. Eén van de belangrijkste bezwaren was uiteraard dat het slachtoffer van te voren wist dat er kosten gemaakt moesten gaan worden die nooit helemaal vergoed zouden worden met ook nog eens een grote kans dat van een kale kip geplukt moest worden.
De invoering van de Wet Terwee in 1992 leverde voor de verdediging in strafzaken weinig problemen op terwijl Slachtofferhulp deze wet kwalificeerde als een aanzienlijke verbetering van de mogelijkheden voor het slachtoffer. Sinds 2011 heeft het slachtoffer een zelfstandige positie in het strafproces gekregen. Door de wetgever is daarbij onder meer beoogd dat de strafrechter zoveel als mogelijk inhoudelijk over de vordering van het slachtoffer beslist. Daarmee heeft het civiele recht definitief zijn intrede in het strafproces gedaan. En dat is te merken ook. Termen als compensatie, beredderingskosten, partiële erkenning, affectieschade, shockschade, actuariële berekening etc. vliegen de strafrechtspecialist om de oren, vaak afkomstig van een civilist die het slachtoffer bijstaat.

In het hoger beroep in de grensrechterzaak heeft de verdediging zo’n negentig vragen gesteld naar aanleiding van de civiele vordering; veertig vragen werden niet beantwoord omdat dat vragen naar de bekende weg zouden zijn maar vijftig vragen waren dat kennelijk niet. Uiteindelijk werden de benadeelde partijen in het overgrote deel van de vordering niet ontvankelijk verklaard maar die beslissing valt pas aan het eind en op een dergelijke beslissing kan steeds minder worden geanticipeerd.
Wanneer bovendien niet op juiste wijze verweer wordt gevoerd tegen de vordering kan dat bijdragen aan de ontvankelijkheid omdat er dan minder snel sprake zal zijn van een onevenredige belasting van het strafproces.
Het openbaar ministerie brandt zich vaak de vingers er niet aan en vordert integrale toewijzing en bij de rechters is vaak wel civielrechtelijke kennis en ervaring aanwezig.

Bovenbedoelde ontwikkeling hoeft geen probleem te zijn wanneer niet alleen het slachtoffer civielrechtelijke bijstand heeft maar ook de verdachte. En dat laatste is nu meestal niet het geval, de verdachte heeft een niet civielrechtelijke onderlegde strafrechtspecialist naast zich staan. Natuurlijk kan de verdachte zich naast een strafrechtspecialist ook waar nodig door een civilist laten bijstaan.
Op één voorwaarde: dat hij dat kan betalen. En dat kunnen de meeste verdachten niet.
De Raad voor Rechtsbijstand weigert ook in meer gecompliceerde zaken (voorbeeld: grensrechterzaak) een civilist aan de verdachte toe te voegen.
Eén advocaat is voldoende en die wordt geacht kennis te hebben van het civiele recht, aldus de Raad.
En zo bijt de strafrechtspecialist zich toch een beetje in eigen staart.
De te verwachten ontwikkeling is dat civiele vorderingen steeds meer inhoudelijk beoordeeld zullen gaan worden. Daar hoort adequate civiele rechtsbijstand bij en ook de minvermogende verdachte zal die moeten hebben.
Zolang dat niet het geval is zouden rechters moeten beslissen het ontbreken van civiele rechtsbijstand betekent dat er geen sprake is van equality of arms en dat dat per definitie een onevenredige belasting van het strafproces oplevert wanneer de civiele vordering niet eenvoudig van aard is.
Een paar van die uitspraken naar Fred Teeven en dan komt die civiele rechtsbijstand er vast heel snel.

Peter Plasman
Strafpleiter