De efficiënte verdediger ten algemenen nutte

Alhoewel ik het eigenlijk niet tot mijn taak beschouw om het beroep van advocaat te verdedigen, maak ik bij dezen een uitzondering. Dat heeft te maken met het interview met raadsheer Hanke Bordes dat ik las op de website Ivoren Toga, in het bijzonder het door Bordes gegeven antwoord op de vraag ‘Hoe kan de raadsman tot een efficiëntere verdediging komen?’.

Ik kan mij na lezing van dat antwoord niet aan de indruk onttrekken dat Bordes de Weryaanse visie over advocaten (1), in ieder geval met betrekking tot advocaten die vele getuigen willen horen en die lang van stof zijn, inmiddels tot de hare heeft gemaakt. Alhoewel die visie getuigt van te weinig nuance – de ene zaak is immers de andere niet net zo goed dat de ene advocaat de andere niet is – kan de advocaat die nog niet wist dat met het moment dat hij gaat pleiten het rustmoment voor de rechter is aangebroken, na lezing van het interview wellicht er zijn voordeel mee doen. In ieder geval in die zin dat hij dus een manier zal moeten bedenken om de rechter wakker te houden, want met een goed en logisch opgebouwd pleidooi voorzien van een fantastische juridische beschouwing, zij het uitvoerig, kom je er niet meer mee. Ik denk dat wij ons er helaas bij neer zullen moeten leggen dat de tijd van monnikenwerk nu eenmaal voorbij is.

Waar wij nog wel met kracht tegen kunnen en moeten optreden zijn fundamenteel verkeerde juridische opvattingen van magistraten. Zo is bijvoorbeeld steeds vaker binnen de rechterlijke macht en het O.M. het geluid te horen dat advocaten een maatschappelijke functie zouden hebben en het publieke belang behoren te dienen (2). Het uitgangspunt is echter heel simpel en daar mag nooit, maar dan ook nooit iets op worden afgedongen: een advocaat dient één belang en dat is het belang van zijn cliënt, waarbij hij zijn taak geheel onafhankelijk uitvoert: onafhankelijk van de overheid, onafhankelijk van de rechter, onafhankelijk van maatschappelijke belangen en publieke opinies maar óók onafhankelijk van zijn cliënt. En ten aanzien van dit laatste mist het antwoord van Bordes maar ook de visie van Wery de broodnodige nuance, hetgeen ik wijd aan een gebrek aan inzicht in of het niet willen stilstaan bij het gegeven dat een advocaat een cliënt heeft die van vlees en bloed is en een heel traject met die cliënt heeft afgelegd alvorens zij uiteindelijk gezamenlijk ’s Hofs terechtzitting betreden en worden geconfronteerd met voor hen zittende raadsheren die louter een papieren werkelijkheid hebben bestudeerd. Rechtvaardigt dit dan dat een advocaat onzin mag verkopen dan wel de spreekpop van zijn cliënt moet zijn, hoe onzinnig diens standpunten ook zijn? Nee, natuurlijk niet. Sterker nog, een advocaat is onder meer onderworpen aan gedragsregel 9, die onder meer inhoudt (3):

“De advocaat draagt de volledige verantwoordelijkheid voor de behandeling van de zaak. De advocaat kan zich niet aan deze verantwoordelijkheid onttrekken met een beroep op de van zijn cliënt verkregen opdracht. Hij mag evenwel geen handelingen verrichten tegen de kenbare wil van zijn cliënt. Indien tussen de advocaat en zijn cliënt verschil van mening bestaat over de wijze waarop de zaak moet worden behandeld en dit geschil niet in onderling overleg kan worden opgelost, dient de advocaat zich terug te trekken.”

En dus is het heel simpel. Een advocaat zal in de voorbereiding van zijn zaak uitgebreid met zijn cliënt bespreken wat er nog aan onderzoek gedaan dient te worden en hoe de verdediging inhoudelijk gevoerd moet worden. Het is aan die advocaat om zijn cliënt in de voorfase uit te leggen, en zo nodig ervan te overtuigen, dat het zinvol is om getuige A wel op te roepen en B niet of dat het bijvoorbeeld wijzer is om te zwijgen dan te verklaren; het gaat evenwel de rechter niets aan. Die heeft het gewoon te doen met datgene waarmee hij op zitting wordt geconfronteerd. En als dat betekent dat hij van oordeel is dat het verzoek om getuige A te horen volstrekt zinloos is, dan beslist hij om die reden tot afwijzing en meent hij dat hij in zijn overtuigingsproces voor de verdachte negatieve conclusies moet verbinden aan de uitoefening van diens zwijgrecht, dan moet hij dat doen. Dát is namelijk zijn taak.

Ik kom toe aan de echte reden, the trigger, voor het schrijven van dit stukje. Die zit hem in de hierna te citeren passage uit het interview met Bordes:

“Echter ik zou willen dat het verdedigingsbelang concreet onderbouwd wordt en dat in ieder geval getuigen niet meer bevraagd mogen worden door de verdediging in het geval dat de verdachte zwijgt of geen alternatieve lezing presenteert. Waarom zouden wij dan op zoek moeten gaan naar een alternatieve lezing of bevragen op leemten, gestelde onjuistheden of onvolkomenheden in een getuigenverklaring of überhaupt opnieuw bevragen?”

Ik beschouw het als mijn maatschappelijke taak om hier tegen op te komen. Want het blijkt steeds maar weer noodzakelijk om te realiseren dat – gelet op de grote (persoonlijke en algemene belangen) die tijdens een strafzaak op het spel staan – door de rechter de grootst mogelijke zorgvuldigheid wordt betracht, juist in verband met de belangen van de verdachte. De rechter heeft daarom (bijv. ex art. 286 Sv) de leiding van het onderzoek bij wet opgedragen gekregen en draagt dus de zelfstandige verantwoordelijkheid voor de deugdelijkheid van het onderzoek op de terechtzitting. Daar past in mijn ogen niet een attitude zoals hiervoor geciteerd bij. Melai schreef hierover al in 1974 in zijn annotatie bij het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 1974 (5). Bordes zou wellicht hier tegenin brengen dat die annotatie uit de oude doos is en niet past binnen de huidige tijdsgeest; een tijdsgeest waarbij het Bordes is gebleken dat het O.M. wel graag met de rechter de handen ineen slaat om te komen tot een strafrechtspleging die ook inhoudelijk gezien van deze tijd is. Ik stel echter vast dat ons Wetboek van Strafvordering zover nog (lang) niet is.

Sander van ’t Hullenaar
Advocaat bij Van ’t Hullenaar & Partners Advocaten

Voetnoten
1. In optima forma tot uiting komend in:’ Vaardige verdediging in hoger beroep’, mr. R. Wery (Raadsheer Hof Arnhem), Lezingenreeks van de NVSA, SDU Uitgevers, Den Haag 2009.
2. Zo ventileerde de hoofd-officier van justitie van het arrondissement Oost-Nederland, Nicole Zandee, tijdens de bijeenkomst OM, strafrechtadvocatuur en rechtbank (27 juni 2013) de opvatting dat advocaten in een strafzaak een maatschappelijke functie hebben.
3. Gedragsregels 1992 advocatuur.
4. Mits de juiste maatstaf en goed gemotiveerd, kan toch niet gezegd worden dat de Hoge Raad bepaald moeilijk doet over afwijzing van bijv. getuigenverzoeken.
5. HR 29 januari 1974, NJ 1974, 150.