Tien antwoorden van de strafrechter (deel 1)

Vanaf heden zal regelmatig een interview verschijnen met een strafrechter. De opzet is analoog aan “De tien geboden” in Trouw en de tekst bevat een tiental vaste vragen. De eerste tien vragen zijn gericht aan mr. J.P. Bordes, raadsheer bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Curriculum (professioneel)

1980: privaatrechtelijk afgestudeerd in het Nederlands recht aan de Katholieke Universiteit Brabant;
1980: wetenschappelijk medewerker vakgroep privaatrecht Katholieke Universiteit Brabant;
1987: gerechtsauditeur gerechtshof Arnhem, sector civiel recht;
1991: rechter rechtbank Arnhem, sector civiel recht;
2000: rechter rechtbank Arnhem, sector strafrecht;
2007: vice-president (inhoudelijk) rechtbank Arnhem, sector strafrecht;
2011 tot heden: raadsheer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, afdeling strafrecht, locatie Arnhem.

Wie is uw leermeester?

Op strafrechtelijk en strafvorderlijk gebied in directe zin, eigenlijk niemand. Zoals mijn curriculum laat zien, ben ik pas laat ingevlogen in het strafrecht. Voordien was ik civielrechtelijk georiënteerd. Mijn leermeesters op dat rechtsgebied waren zeker professor H.C.F. Schoordijk en professor J.B.M. Vranken. Beiden hebben mij geleerd dat rechtspleging normatief is; beiden waren schouwend buiten hun eigen privaatrechterlijk rechtsgebied, Schoordijk als een creatieve denker, Vranken als een wetenschappelijk onderlegde denker. Op de keeper beschouwd zijn zij ook mijn leermeesters op strafrechtelijk gebied. Ook de strafrechtspleging is immers normatief. Ik bedoel daarmee dat het antwoord op de vraag of iemand een strafbaar feit heeft begaan, normatief ingevuld wordt. Pas bij de vraag naar de toerekening en in het kielzog daarvan de strafmaat, is er verschil. Anders dan in het privaatrecht spelen de persoonlijke eigenaardigheden en omstandigheden van de pleger een medebepalende rol.

Hoe organiseert u uw eigen werk?

Ik bereid mijn zittingen van week tot week voor, uitgezonderd de grotere zaken. De laatste zijn lang van te voren bekend en de voorbereiding en de zitting (en) plan ik in samenspraak met de griffier en de collega’s.
Tot voor kort gold dat ik passief was in de aanlevering door de organisatie van de zaken. Vorig jaar functioneerde ik in het zogenaamde A12 project, als voorzitter van een van de strafkamers, als scanner en als (gedelegeerd) raadsheer-commissaris. Dat project houdt kort gezegd in dat alle appelen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht –uitgezonderd Fraude, Economie en Kinderrechtzaken, binnen zes maanden na het instellen van het appel worden afgedaan. De zaken worden wekelijks op voorhand gescand op mogelijke onderzoekswensen; van belang daarbij is vast te stellen wat de reden van het hoger beroep kan zijn en of de verdediging mogelijk nog onderzoek wil laten doen. Zo ja, dan wordt dit per mail aan de verdediging gevraagd en wordt per mail aan het openbaar ministerie verzocht hun standpunt ter zake te verwoorden, waarna vervolgens bij voorzittersbeslissing in voorlopige zin op die wensen wordt beslist Vervolgens wordt daaraan uitvoering gegeven. Voorafgaande aan de zitting wordt zodoende de zaak zittingsrijp gemaakt voor een inhoudelijke behandeling. Een soortgelijke werkwijze wordt nu gevolgd voor de hoger beroepszaken uit Almelo waarvoor ik nu als kamervoorzitter verantwoordelijk ben.
Deze werkwijze sluit goed aan op de wijze waarop ik mijn zaken voorbereid, een werkwijze die -denk ik- een voorbereiding van week tot week in geval van de kleinere zaken, behapbaar en mogelijk maakt. Voortbouwend appel is daarbij voor mij de leidraad, dat wil zeggen in hoger beroep kom(t)(en) nog alleen aan bod de reden(en) waarom verdachte/verdediging het niet met de beslissing van de rechtbank eens is. Verder neem ik in ogenschouw wat ik in al die jaren als rechter heb geleerd dat wij –denk ik tenminste- beslissen op basis van een juridische werkelijkheid. En ik neem in aanmerking de ervaring opgedaan in hoger beroep, dat de verklaringen van de verdachte verschuiven en verdichten richting het verweer.
Kort en goed, ik benader het dossier dus eigenlijk civielrechtelijk. Ik zoek naar het geschilpunt tussen openbaar ministerie en verdachte oftewel wat is of zijn de pijnpunten van de verdachte bij de tenlastelegging, bijvoorbeeld een bewijskwestie, een strafmaatverweer of een kwalificatieprobleem (geen poging doodslag maar mishandeling). In hoger beroep achterhaal ik die snel door het lezen van –uiteraard- de tenlastelegging, het proces-verbaal van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg en het vonnis. Van het dossier bekijk ik vervolgens alleen dat wat van belang is voor een beslissing op de pijnpunt(en). Ik lees dus echt niet alles en ik let niet op punten en komma’s en ook niet op de verschillen tussen de verklaringen van verdachte en de getuigen over een gebeurtenis. Ik zoek het verhaal en hoe verdachte en de getuigen daarin staan en hoe dat zich verhoudt met eventueel forensisch (-technisch) bewijs. Ik vaar wel bij deze werkwijze; het gaat snel en past bij mijn persoonlijkheid.

Wat is uw belangrijkste doel bij de behandeling van de strafzaak?

Ik streef ernaar dat, ingegeven door het maatschappelijk belang vertegenwoordigd door het openbaar ministerie, recht wordt gedaan aan de gebeurtenis en nevenschikkend daaraan dat recht wordt gedaan aan het verhaal van de bij die gebeurtenis betrokken personen, dus de verdachte en de benadeelde partij/slachtoffer. Dat betekent dat bij de voorbereiding van de zaak en de behandeling ervan op zitting met een open geest naar ieder van hen geluisterd wordt en dat ieder van hen zich gehoord voelt in de beslissing.
Ook hier geldt de kanttekening dat rechters beslissen op basis van een juridische werkelijkheid in de hoop dat deze werkelijkheid en de echte (als die al bestaat want ieders waarneming is beperkt en door de persoon van de waarnemer per definitie gekleurd) elkaar overlappen. En ook plaats ik bij mijn streven de kanttekening dat ik mijzelf als de persoon die ik ben, niet kan uitsluiten.

Hoe ervaart u de opstelling van het openbaar ministerie?

Op mega en beleidsmatig niveau heb ik daar weinig ervaring mee. Individueel, bij de behandeling van grote zaken, en organisatorisch, binnen onze Arnhemse A12 werkwijze , wel. Dan ben ik vol lof. Met die ervaringen in de hand, denk ik dat het openbaar ministerie graag de handen met de rechterlijke macht ineen slaat om te komen tot een binnen onze tijdgeest passende, goede strafrechtspleging, zowel organisatorisch als inhoudelijk.

Hoe kan de raadsman tot een efficiëntere verdediging komen?

Vind ik moeilijk te beantwoorden omdat advocaten naar mijn beleving verschillende uitgangspunten en daarbij horende agenda’s hebben. Dus tja, ik weet niet wat ze willen bereiken.
Wat mij momenteel bezig houdt is de invulling van het verdedigingsbelang. Mijn ervaring is dat in het merendeel van de gevallen het horen van een getuige helemaal niet in het belang van de verdediging uitpakt. Het horen is of zinloos want de getuige verklaart dat hij bij de politie de waarheid heeft verklaard en het verhoor levert ook niets nieuws op of belast de verdachte nog meer.
Dus het argument wat vaak gebezigd wordt dat de getuige belastend heeft verklaard en dat de verdediging enkel daarom al het recht heeft de getuige te mogen horen, spreekt mij totaal niet aan.
Gelet op het belang dat een strafzaak voortvarend moet worden afgedaan en op het belang dat zittingsruimte optimaal wordt besteed, dus het belang van de strafrechtelijke organisatie, zou ik willen verdedigen dat het verdedigingsbelang een strakkere belijning krijgt waarbinnen wordt afgewogen of het horen inderdaad zinvol is.
Het antwoord heb ik niet. Echter ik zou willen dat het verdedigingsbelang concreet onderbouwd wordt en dat in ieder geval getuigen niet meer bevraagd mogen worden door de verdediging in het geval dat de verdachte zwijgt of geen alternatieve lezing presenteert. Waarom zouden wij dan op zoek moeten gaan naar een alternatieve lezing of bevragen op leemten, gestelde onjuistheden of onvolkomenheden in een getuigenverklaring of überhaupt opnieuw bevragen? Of in het volgende voorbeeld. Verdachte beroept zich op noodweer. Geen van de getuigen verhaalt over een dreigende actie van de kant van de aangever. Moeten wij dan de getuigen bevragen over de vraag of ze toch (niet) een dergelijk gedrag van aangever hebben gezien? En zeker wanneer dat pas voor het eerst in hoger beroep wordt gevraagd, zoveel jaar na dato? En dit enkel en alleen omdat vooruit lopen op wat de getuigen zullen zeggen “uit den boze” is?
Mijn idee is dat een advocaat niet alleen het belang van zijn cliënt dient – wat dat ook moge zijn – maar ook het publiek belang van een goede rechtspleging – wat dat ook moge zijn-.
Onafhankelijk van de antwoorden op deze vraagtekens (een advocaat dient zich in ieder geval te verplaatsen in de rechters, wat denken zij) dienen zij vervolgens te proberen die rechters over te halen zijn/haar standpunt te volgen. Daarbij horen zeker niet ellenlange herhalingen en betogen en het opzoeken van de strijd en het op hoop van zegen doen van verzoeken tot het horen van getuigen en tot het doen van onderzoek door deskundigen.

Welk strafrechtelijk leerstuk intrigeert u het meest?

Ik heb geen bijzondere voorkeur. Wat mij wel bezig houdt en intrigeert is de idee en de hoop van de politiek dat het strafrecht de oplossing is voor maatschappelijke gevoelens, die naar mijn idee door de politiek in nogal populaire bewoordingen worden neergezet in reactie op incidenten. Ik denk niet dat het strafrecht de oplossing is. Het strafrecht is naar mijn idee het sluitstuk, de ultieme remedie. Echter, kritiek is makkelijk en waar de grenzen van het een en het ander liggen, weet ik ook niet. Ook ben ik zeer geïnteresseerd in de “rechts”-psychologie, zoals – puttend uit deze potporie – de inhoud en vorming van het geheugen, hoe werkt herkenning van personen, hoe komen we tot beslissingen?

Hoe heeft u zich als strafrechter ontwikkeld?

Ik denk dat ik in de loop der jaren door mijn ervaringen als rechter en door gebeurtenissen in mijn persoonlijk leven, een “geschoolde intuïtie” (Paul Scholten, Algemeen deel, Asser-serie) heb vergaard bij het herkennen en onderkennen van waar het in een strafzaak om gaat en welke beslissing daarbij past. Dat kan soms een hele praktische beslissing zijn die juridisch niet helemaal houdbaar is.

Voelt u zich als rechterlijk ambtenaar meer rechter of ambtenaar?

Rechter natuurlijk, want dat ben ik en wil ik zijn. In het verband van deze vraag wil ik wel kwijt dat ik tegenwicht wil bieden aan de klachten over de zogeheten verambtelijking van de rechterlijke macht door de sturing van de rechterlijke macht door een financieel planmatige benadering van het rechterlijke werk. Ik heb daar niets op tegen. Immers wij worden betaald door de burgers en moeten ons dus – net zoals iedereen- verantwoorden voor de besteding van hun geld dat in ons geïnvesteerd wordt. Ik vind ook niet dat de onafhankelijkheid daarmee in het geding is. Ik heb nimmer ervaren dat ik mij onwelgevallige beslissingen moest nemen. En ook vind ik dat de kwaliteit van de rechtspraak daardoor niet in het gevaar komt. Dit mits we ons realiseren dat het antwoord op de vraag wat kwaliteit is, wordt bepaald door de maatschappij en dus niet statisch is, maar meebeweegt met maatschappelijke ontwikkelingen, niet de populistische maar de vanuit historisch perspectief beschouwde, onontkomelijke veranderingen. Als voorbeeld denk ik dan aan de positie van ons Koningshuis in ons staatsbestel; lintjesknippen is ook inhoudelijk werk, en vertaald naar ons, doorloopsnelheid is ook kwaliteit. Wel vind ik dat we het heft daar waar mogelijk weer in eigen handen moeten nemen wat betreft de organisatie van de rechtspleging op microniveau. Want dat hebben we ons laten ontfutselen door het management en dat kunnen we weer terugpakken door niet achter over te leunen, maar zelf initiatieven te ontplooien onder meer op het gebied van de organisatie van het ons eigen rechterlijk werk, en ik denk hierbij aan het eigen A-12 project.

Ziet u het spreken van recht en de organisatie daarvan als gescheiden werelden?

Neen, althans in die zin dat de organisatie wel in dienst moet staan van het rechtspreken.

Welke ontwikkeling binnen de rechterlijke organisatie betreurt u het meest en welke ontwikkeling juicht u het meest toe?

Ik betreur eigenlijk niet veel. Vele ontwikkelingen zijn onontkoombaar. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van een managementstructuur binnen de rechterlijke macht Die was noodzakelijk als antwoord op de schaalvergroting van de rechterlijke macht. De rechtbankvergadering – alle rechters bijeen – als de beslissende macht paste daar niet meer bij. Wel moeten we blijven meebewegen. Dus nu is het weer tijd – ik heb het al gezegd- dat rechters wat betreft de organisatie van het rechterlijk werk, het een en ander weer naar zich toetrekken.

2 gedachten over “Tien antwoorden van de strafrechter (deel 1)

  1. Pingback: De efficiënte verdediger ten algemenen nutte

  2. Pingback: http://www.publiekrechtenpolitiek.nl/wordpress/wp-content/uploads/2012/02/Justitie.jpg

Reacties zijn gesloten.