De onafhankelijke rechter en Oud & Nieuw

Zo’n twaalf jaar geleden werd de Nederlandse Raad voor de rechtspraak in het leven geroepen. Een belangrijk doel was het versterken van de onafhankelijke positie van onze rechters tegenover de uitvoerende macht. Het handhaven van die onafhankelijkheid is geen gemakkelijke taak. Met het inrichten van een nieuw orgaan ben je er nog lang niet. Je zult het in de praktijk moeten waarmaken. Dat gaat weleens mis, zoals recent in het kader van het zogenaamde Oud & Nieuw supersnelrecht.

Met de Raad voor de rechtspraak, die voor de helft uit rechters bestaat, schiep de wetgever een buffer tussen het ministerie en de rechters. De Raad is verantwoordelijk voor bijvoorbeeld de verdeling van middelen en de benoeming van bestuursleden, kortom allerlei activiteiten en beslissingen die voorheen tot de competentie van het ministerie van Justitie behoorden en waarmee direct of indirect invloed op de rechters kon worden uitgeoefend.
Nederland liep met het oprichten van een Raad voor de rechtspraak allerminst voorop. Met name in Zuid-Europese landen bestaan dergelijke organen al veel langer, soms zelfs sinds het begin van de 20e eeuw. Er is echter wel een verschil. Diverse van die oudere collega-instellingen gaan niet alleen over rechters, maar tevens over officieren van justitie. Zij bestaan daarom uit een mix van beide groeperingen.

Terecht heeft ons land ervoor gekozen de zittende en de staande magistratuur in de Raad voor de rechtspraak gescheiden te houden. Is het geven van algemene instructies door de minister van Justitie ten aanzien van rechters uit den boze, met betrekking tot officieren van justitie kan het als instrument van overheidsbeleid als een logisch gevolg van de plaats van het OM worden beschouwd. Rechters hebben zich uitsluitend aan de door de wetgever in het leven geroepen regelgeving te houden. Zij zijn, als we het alleen over het strafrecht hebben, binnen die grenzen vrij te beslissen of iemand die de officier van justitie aan hen presenteert, moet worden gestraft en, zo ja, welke sanctie moet worden opgelegd.
Die vrijheid is, zoals elke vrijheid, niet absoluut. Zo moet willekeur worden voorkomen en ernaar worden gestreefd dat gelijke monniken zoveel mogelijk met gelijke kappen worden bekleed. Voor dit laatste hebben de rechters zgn. oriëntatiepunten ontwikkeld. Dat wil zeggen dat voor veel voorkomende delicten met meer of minder grote nuances strafmodaliteiten op een rijtje zijn gezet waaraan rechters zich in vergelijkbare gevallen kunnen spiegelen.
De gedachte hierachter is dat een rechter weet welke straffen zijn collega’s door de bank genomen opleggen. De oriëntatiepunten binden de rechter niet, maar leggen op hem wel enige druk uit te leggen waarom hij ervan afwijkt, als hij dat doet. (En de oriëntatiepunten zijn openbaar.)

Oriëntatiepunten moeten niet met richtlijnen worden verward. Richtlijnen zijn doorgaans wel bindend en dat is waarmee officieren van justitie te maken hebben. Ook het OM kent dus voor veel delicten lijstjes (die lang niet altijd met de oriëntatiepunten sporen). Officieren van justitie doen daarop bij het formuleren van een strafeis vaak een beroep. Aandacht wordt daaraan vooral besteed, als het OM beleid wil uitdragen. Zo was dat onlangs weer eens het geval in het kader van Oud & Nieuw.
De viering van Oud & Nieuw gaat vrijwel elk jaar met hinderlijk gedrag van feestgangers gepaard. De politie en de hulpdiensten hebben daaraan handen vol werk en moeten overuren maken. Om het hinderlijke karakter te benadrukken roepen politie en OM daarom steeds meer om strenge maatregelen, ook dit jaar weer. Zo wordt van rechters gevraagd (geëist) dat zij O&N-delicten aanzienlijk zwaarder bestraffen dan gelijke vergrijpen bij andere gelegenheden. Officieren van justitie krijgen daarvoor speciale lijstjes mee.

Het is uiteindelijk echter de rechter die beslist of de hogere strafeisen moeten worden gehonoreerd. Hij kan voor dit soort gelegenheden niet op oriëntatiepunten terugvallen. Het bestuur van het onder de Raad voor de rechtspraak vigerende LOVS, het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (bestaande uit de voorzitters van de afdelingen publiekrecht), dacht hiervoor kennelijk een oplossing te vinden door kort voor Oud & Nieuw een overzicht van rechterlijke uitspraken rond te sturen ten behoeve van de rechters die over dit soort zaken moesten oordelen. Het was een selectie van uitspraken van gerechtshoven waarin Oud & Nieuw telkens als een bijzonder evenement werd aangemerkt dat hoger straffen rechtvaardigde.
Dit was een misstap van het LOVS. Oriëntatiepunten komen na overleg en terugkoppeling met rechters tot stand. Daarmee is onverenigbaar, als een orgaan van de Raad voor de rechtspraak in de hype van Oud & Nieuw met een eigen selectief lijstje komt. Zo gaat dit orgaan, dat bovendien uit managers bestaat, naast het OM op de bank zitten en geeft het geen blijk van de zo zorgvuldig gekoesterde onafhankelijkheid die de zittende magistratuur ten opzichte van het OM hoort in te nemen.
Een faux pas was ook de opmerking van de voorzitter van de Raad op Oudejaarsdag, althans zoals geciteerd in NRC Handelsblad van die dag, dat “rechters het geweld dat sterk samenhangt met Oud en Nieuw en bijvoorbeeld gericht is tegen hulpverleners, naar verwachting zwaar [zullen] bestraffen”. Ten eerste gaan de Raad en zijn voorzitter niet over rechterlijke uitspraken en tweede kan zo’n uitlating druk op de betrokken rechters leggen en verwachtingen wekken die mogelijk niet worden bewaarheid.

Ik hoop dat alle rechters die O&N-delicten hebben beoordeeld, dit met een onafhankelijke blik hebben gedaan en zich niet door het LOVS-overzicht of de uitlating van de voorzitter van de Raad hebben laten leiden.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter Rechtbank Amsterdam