De werkdruk van de rechter

Het was weer eens zover. Rechters (en officieren van justitie) klaagden over hun werkdruk. Uit een enquête van Vrij Nederland bleek dat 24% van de rechters en ruim 45% van de officieren en andere staande magistraten, de afgelopen jaren wel eens heeft overwogen om te stoppen. Als belangrijkste reden voor die overweging werd de werkdruk genoemd. Ruim 53% van de rechters vond die hoog, 20% zelfs te hoog. Bij het OM waren die cijfers respectievelijk 46 en 48%. Bovendien denkt 50% van de ondervraagden dat het de komende jaren nog wel 10-30% drukker zal worden. Of die cijfers over werkdruk alleen gelden voor degenen die wel eens overwogen hebben te stoppen of voor alle ondervraagden, blijkt niet uit het artikel en ook niet uit het tabellenbestand.

Hoe dan ook, het blijft een boeiend fenomeen dat medewerkers van organisaties, die er de afgelopen 7 jaren tussen de 15 en 25% budget hebben bij gekregen, terwijl hun productie in diezelfde periode met meer dan een kwart is gedaald, blijven klagen over de werkdruk. Het gebeurde in het z.g. Leeuwarder manifest van begin dit jaar en nu gebeurt het weer. Ik kan natuurlijk geen oordeel vellen over de ervaren werkdruk van de geïnterviewden, hun werklastverzwaringsbeleving en de daarmee verbonden draagkracht van hun individuele “schouders”, maar ik kan wel proberen na te gaan, op basis van hun eigen cijfers, hoe het er objectief mee is gesteld. Eerst maar eens de rechters, de volgende keer het OM. Het gaat uiteraard over strafzaken.

Als verreweg de belangrijkste verklaring voor de toegenomen werkdruk wordt genoemd dat de zaken ingewikkelder zijn geworden. Dat ligt ook voor de hand omdat de bevoegdheid van het OM om kleinere zaken zelf af te doen aanzienlijk is verruimd. Maar voordat we verder over de samenstelling van het huidige pakket, komen te spreken is het goed vast te stellen dat het in ieder geval ook veel kleiner is geworden: 132595 vonnissen in 2005 en nog maar 95910 in 2012. Bij zo’n enorme daling moet het restant gemiddeld wel erg veel zwaarder zijn geworden om, objectief gezien, toch van een stijging van de werklast te kunnen spreken.
Hoe ziet dat pakket er in vergelijking met 2005 nu uit? Een eerste, ruwe indicatie voor de zwaarte ervan zou de verdeling kunnen zijn over de politierechter en de meervoudige kamer. Bij een vergelijking waar het aandeel van de kinderrechter terzijde wordt gelaten, blijkt inderdaad dat het aandeel van de MK is toegenomen van 10,8 tot 14,4%. Daar moet echter de kanttekening bij worden gemaakt dat een MK- zaak voor een gerecht veel meer geld op levert dan die van de politierechter en dat er dus een zekere financiële druk is om het aantal MK- zaken te majoreren. Daarnaast dient te worden vastgesteld dat absoluut gezien, het aantal MK- zaken in 2012 nog altijd een kleine 500 minder was dan in 2005.

Laten we daarom proberen een wat “fijnere” maatstaf te vinden voor de zwaarte, in termen van lees- en behandeltijd, het maken van het vonnis daaronder begrepen, van die zaken. Er zijn zaken waarbij zich zelden problemen voordoen en zaken waarbij incidenten/problemen ter zitting veel meer voor de hand liggen, zaken waarbij de bewijsvoering eenvoudig is en zaken met een grotere complexiteit. Eenvoudige (winkel)diefstal, dronken rijden, vernieling, mishandeling en ook inbraak, zijn misdrijven waarbij het bewijs, als het er eenmaal is, relatief weinig tot complicaties ter zitting aanleiding geeft. Voor bedrog en valsheidsdelicten, openlijke geweldpleging, levensdelicten en zeker bij de zwaardere drugsmisdrijven waarbij complexe opsporingsmethoden zijn gebruikt ligt dat heel anders.
Hoe is de samenstelling van deze beide pakketten zaken in de afgelopen 7 jaar veranderd? In 2005 vormde het “lichte” pakket 50,4% van alle vonnissen; in 2012 was dat gestegen tot 52,9%. Het aandeel van het “zware” pakket liep in dezelfde periode licht terug van 13,3 naar 12,4%. In 2005 vormden de beide pakketten samen 63,3% van alle vonnissen; in 2012 was dat opgelopen tot 65,3%.

Ik daag degenen die blijven klagen over de werklast uit om bij ruim 37.000 minder zaken in 2012 dan in 2005, een toegenomen omvang van het lichtere pakket en een daling van het aandeel van het zwaardere pakket te laten zien waar de toename van de werklast dan wel in is gelegen.

Het kan natuurlijk zijn dat het aantal zaken dat wordt aangehouden drastisch is toegenomen, of dat het motiveren van vonnissen lastiger is geworden, dat de twijfel bij rechters na een aantal geruchtmakende gerechtelijke dwalingen heeft toegeslagen of dat de vele parttime rechters minder productief zijn dan de fulltimers. Het kan ook allemaal tegelijk aan de orde zijn. Maar zonder grondige fundering van deze en mogelijk andere verklaringen, dient het klagen over de toegenomen werklast eerder als een element van de rechterlijke cultuur dan als een serieus probleem te worden beschouwd.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie