Vierluik over de bedrijfsvoering van de rechtspraak. 4. Communicatie met de burgerij en gesneden beelden van de rechtspraak

In de huidige mode wordt rechtspraak als een hot fenomeen gezien dat niet transparant genoeg kan worden gepresenteerd. De filosoof Pascal schreef in zijn Pensees (nr. 309) al dat zoals de mode het amusement maakt, zij ook het recht maakt. Hoeveel te meer zal dat dan nu niet het geval zijn? Op 26 februari 2013 schreef ik in mijn blog dat boulemische vraatzucht de behoefte aan meer cameravoering in de rechtszaal verklaart. Een behoefte die niet direct spoort met de openbaarheid van het strafproces, die nu eenmaal oorspronkelijk bedoeld was als controle op de wijze waarop de rechter zijn werk doet. Mogelijk een behoefte aan verlustiging in beelden van de verdachte en zwoegende rechters die geen recht doet aan het strafproces maar aan de doelen van kijkcijfers en infotainment. Dat specifieke blog was te kort om mijn scherpte van meer nuances te voorzien, daarom waag ik nog een poging vanuit andere invalshoeken.

Vlucht de rechtspraakleiding uit beduchtheid voor kritiek op de rechterlijke macht niet teveel naar voren met vele over elkaar buitelende voorstellen om de camera’s in de rechtszaal toe te laten en persrichtlijnen over publicatie van uitspraken te ontwikkelen? Gaat het de rechtspraakleiding minder om de (kwaliteit van de) rechtspraak, maar meer om de verkoopbaarheid ervan? In dat geval worden de gekozen mediatechnieken in mindere mate gerelateerd aan daadwerkelijke kennis van de rechtspraak en de kunde van de rechter maar worden presentaties gezocht die de samenleving bekoren en verleiden tot meer vertrouwen in de rechtspraak. Een op zich goedbedoelde inzet, maar aldus raken organisatie en presentatie van de rechtspraak losgezongen van de rechtspraak zelf, hetgeen de entree inluidt van een industrie die niet meer draait om de tomaten en het telen daarvan, maar hoe de tomaat in de markt gezet wordt, verkocht, winstgevend wordt gemaakt, publicitair gepresenteerd wordt, een maakbaar of concurrerend product wordt. Omdat zorgen alleen niet volstaan, de realiteit niet terug te draaien valt, wil ik in enkele aantekeningen een eigen standpunt bepalen.

1. Het oordeel over de publieke behoefte aan meer zicht op het strafproces hangt mede af van de reden waarom die kennis wordt geambieerd. Veel kennis wordt gulzig verorberd, maar daarna uitgespuugd omdat het geen bevrediging biedt. Hoeveel kennis nodig is, hangt af van het doel van de gewenste kennis. Wie wil eten van de boom van kennis des goeds en des kwaads moet besef hebben van de reden voor de kennisbehoefte. Veel kennis is niet nodig om te leven, te leren of te overleven. Om het strafproces te kennen, beter te doorgronden met camera’s of andere media, moet het dus gaan om specifieke kennis.

2. Recent is een fraai boek uitgekomen met de titel Zin in werk. De makers volgen verschillende ambachtslieden, maken een foto van de vakman of vakvrouw tijdens de uitoefening van het ambacht en houden een kort interview waarin betrokkene de finesses van het werk in scherpe penseelstreken neerzet. Op het eerste en het tweede gezicht maken de impressies een overdadige en weldadige indruk van de precieze inhoud van de verschillende ambachten. Bij nader inzien zeggen de verhalen niet zoveel. De detaillering van een werkproces zegt weinig over de verdere merites, of het werk met liefde wordt uitgevoerd, of deze uitvoering optimaal is, hoe deze werknemer in vergelijking met andere werkers de toets der kritiek doorstaat, of dit de state of the art is. Het zijn individuele miniatuurtjes, hopelijk liefdevol gemaakt en ondergaan, maar ook dat weet ik niet.

3. Het lastigst is hoe we de ziel der dingen kunnen vangen in woorden en beelden. In de filosofie bestaan vele waarheidsclaims over hoe via opbouw van redeneringen de werkelijkheid toetsbaar kan worden weergegeven. Het probleem is echter al ouder dan het bestaan van de filosofie. Het tweede Mozaïsche gebod luidde: Gij zult geen gesneden beeld voor mijn aangezicht maken. Dit gebod drukte uit dat de mens geen beelden van de werkelijkheid mocht maken omdat deze altijd de werkelijkheid tekort deden. Tot ver in onze jaartelling was het in bepaalde religies verboden om de werkelijkheid via zo natuurgetrouwe beelden pretenderen te vatten. Dit verbod brengt bepaalde religies er toe geen foto’s te maken.

4. Wie het kiekjesmakende deel der mensheid gadeslaat kan zich iets verbeelden bij deze moraal. Velen maken foto’s om het thuisfront te bewijzen dat men op de gefotografeerde plaats geweest is. In dat geval maakt men eerder foto’s dan het object op zich te laten inwerken, men spoedt zich met het fototoestel in de aanslag door naar de volgende kiekjesplaats. Als thuis de foto’s al niet alras liggen te vergelen of te wachten op digitalisering, dan wordt er met collega’s en intimi nog wel eens naar de foto’s gekeken, wat mogelijk eerder leidt tot aha en veel gehum, maar zouden de kiekjesmakers het gevoel hebben het bezochte land of de zogenaamd ondergane cultuur te hebben doorvorst en vastgelegd op de beeldplaat?

5. Toch is de zoektocht het onkenbare te kennen diep geworteld in het menselijk bestaan. Misdaden hebben altijd grote zuigkracht op het grote publiek gehad omdat het gepleegde misdrijf zowel appelleert aan diepere angsten als aan de hoop na de berechting en bestraffing veiliger te kunnen leven. Het zien van het strafproces is dan ook als het slaaplampje in het donker voor kinderen om de angst voor het donker te doen wijken. Dan kan ik wel verzuchten dat verhalen, boeken en films de werkelijkheid in alle ingewikkeldheid moeten tonen en dat de eerder genoemde hoop en geloof thuis horen in de religie, maar ik vermoed dat ik daarmee de continue behoefte aan zicht op misdaad en misdadiger niet wegneem.

6. Mijn belangrijkste vertrekpunt is dat de betekenis van het benoemen, filmen, fotograferen, verslag leggen, zo oud als Methusalem is en er moet worden gepoogd met de verslaglegging de ware bestemming van het genaamde uit te drukken. De afspiegeling van het strafproces moet de rechtspraak niet willen overlaten aan de media. De media is niet primair in de doelen van het strafproces geïnteresseerd, maar in het bereiken van eigen doeleinden met het liefst goede kijkcijfers. Medialisering van het strafrecht moet dus strak in eigen hand worden gehouden, de zittingzaal is geen dierentuin waarin de televisiezender zich vergaapt aan apen. De beelden van de rechtspraak via het journaille levert kiekjes, plaatjes, niemandalletjes op, die niets zeggen over de werking van de rechtspraak, maar die het publiek bedienen in hun verveelde behoefte aan informatie die hen geen werkelijk zicht oplevert, maar louter bevestigt in hun vooroordelen. Het is nog niet te laat, maar er is tijd nodig voor bezinning vóór de medialisering van de rechtspraak een te platte aangelegenheid wordt, zoals laatst de cameravoering in de zaak van het overleden Haagse verkeersslachtoffertje Rog pijnlijk zichtbaar maakte.

7. Voor pakkende tentoonstellingen in musea zijn er tegenwoordig gespecialiseerde medewerkers die veel kennis hebben van tentoonstellen, publieksbegeleiding, informatieverzorging & collectiebeheer, theoretische museologie, managementvaardigheden, cultuurgeschiedenis en communicatieve vaardigheden. Niemand komt als volleerd tentoonstellingsmaker een museum binnen, men leert het vak in de praktijk.

Hoe kan de rechtspraakleiding het streven verleggen van kiekjesjacht naar meer professionalisering van beeldvorming van de rechtspraak onder het motto van de grote regisseur Hitchcock dat beelden niet meer dan illusies zijn?

Met modern aandoende twitterende presidenten redt de rechtspraak de strijd om de publieke opinie niet, met schichtige presidenten die denken dat het nu of nooit is, evenmin.
Het is een vak hoe een product wordt verzinnebeeld. Eerst moet worden nagedacht welke onderdelen van rechtspreken beter of anders over het voetlicht gebracht moeten worden. Wie de bepaald vage beleidsstukjes leest over de grote maatschappelijke betekenis en over de kwaliteit van de rechtspraak ziet weinig verschil met de niksige reclames over wasmiddelen of over milieumaatregelen. Voor een evenwichtiger beeldvorming van de rechtspraak kunnen twee uitgangspunten dienst doen.

1. Misschien heeft het publiek geen recht op plaatjes maar heeft de rechtspraakleiding de plicht om een selectieve medialisering van de rechtspraak te professionaliseren om kiekjesjacht te voorkomen. Mijn eerdere standpunten indachtig, sluit ik niet uit dat het aan de rechter moet worden gelaten hoe hij zijn product in de markt zet.
2. En een tweede zoeker die me al enige tijd bezig houdt is deze. Misschien werkt de verkooptruc van de huidige beleidsmakers niet omdat men het volk wil overtuigen dat de rechtspraak het goed doet. Misschien kan de focus beter gelegd worden op het perpetuum mobile van het recht spreken in wat krom is, het sinds het ontstaan van de mensheid bestaande fenomeen van de conflictbeslechting door een gemandateerde groep van thans 1000 strafrechters op een bevolking van meer dan 16 miljoen inwoners. Wanneer een continuüm wordt getoond is er minder behoefte aan bewijzen dat de huidige rechters het goed doen. Het is een immense verantwoordelijkheid en eer om iemands vrijheid in handen te hebben, te kunnen wegnemen of bij een vrijspraak te retourneren. Maar daarbij worden fouten gemaakt, er worden schuldigen vrijgesproken en onschuldigen veroordeeld. De mediatheek van de rechtspraak moet niet gaan over de juistheid van die oordelen, maar over het oordelen an sich. Het fixeren op het beslissingsproces en minder op de overtuigingskracht daarvan jegens de andere rechtsgenoten zou wel eens een begaanbaarder route naar gezagsherstel (voor zover nodig) kunnen zijn dan de gelikte en gefotoshopte pogingen van dit moment.

Als de rechtspraak het dus al nodig heeft vermarkt te worden dan moet dat niet geschieden omdat de vraag naar recht verbeterd moet worden. Rechtsvragen zijn immers van alle tijden en komen vanzelf zolang er conflicten tussen mensen blijven bestaan. Hoe ondoenlijk het ook lijkt, zie het tweede Bijbelse verbod op het maken van gesneden beelden, maar als er toch een poging gewaagd moet worden, dan moeten er beelden gemaakt worden die de essentie van het millennia oude fenomeen van de rechtspraak tonen op de wijze die bij de rechtspraak past en niet zozeer bij allerhande mediadoelen. Mijn primair afwijzende standpunt om de rechtspraak te vermarkten verdient heroverweging als de doelstelling verandert. Misschien moet de communicatie van de rechtspraak zich verder ontwikkelen, meer in de richting van de hooggekwalificeerde museummedewerkers. Misschien moet het oude idee van het Amsterdamse rechtbankbestuur uit de recente mottenballen worden gehaald en dient er geld uitgetrokken te worden voor een eigen cameravoering, waarbij de mediamedewerkers van het gerecht, in samenspraak met de zaaksvoorzitter die gefilmd is, binnen 24 uur gratis de beeldselectie aan de media ter beschikking stellen. Mijn standpunt houdt in dat er juist veel meer camerabeelden van de rechtspraak kunnen en behoren te worden gemaakt, wat wel even anders ligt bij de huidige persrichtlijn die enkele beeldopnames mogelijk maken nadat hierom door een journalist is verzocht. Mijn voorstel kost wel geld, maar dat is van later zorg.

Bedachtzaamheid boven alles. Presidenten gaan maar een paar jaar mee en verdwijnen daarna weer in de vergetelheid, maar ze kunnen juist op dit punt grote brokken maken waar we nog ver na hun dood last van hebben.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

2 gedachten over “Vierluik over de bedrijfsvoering van de rechtspraak. 4. Communicatie met de burgerij en gesneden beelden van de rechtspraak

  1. Pingback: Rectificatie ‘Vierluik over de bedrijfsvoering van de rechtspraak. 4. Communicatie met de burgerij en gesneden beelden van de rechtspraak’

  2. Pingback: The Eichmann-show en de verslaglegging van het Nederlandse strafproces | Ivoren Toga

Reacties zijn gesloten.