Kostenverslindende getuigenverhoren: repliek en dupliek

Rick Robroek schreef vorige week een blog over kostenverslindende getuigenverhoren. Advocaat Jillis Roelse reageerde. Hierbij hun afrondende repliek en dupliek:

Repliek Robroek

Voor het strafvorderlijk debat is niets beter dan een scherpe, inhoudelijke en tegensprekelijke reactie vol met herkenbare praktijkvoorbeelden. Niet alleen daarom maar ook omdat dergelijke reacties zeldzaam zijn, verdient Roelse alle lof. Maar misschien moet ik eerst een paar dingen rechtzetten want volgens mij was mijn bijdrage toch iets minder prikkelend van aard dan Roelse die opvat. Om te beginnen mijn oordeel over de jurisprudentie van het EHRM. Ik vind die jurisprudentie helemaal niet lastig, integendeel: advocaten zouden op grond daarvan vaker primair vrijspraak kunnen bepleiten en allerhande getuigenverhoren kunnen bewaren als subsidiair verzoek, temeer het horen van getuigen geen garantie is op een betere bewijspositie. Ik vind dat niet lastig, maar reëel in een samenleving waarin met de aanwezige beperkte middelen niet altijd de meest wenselijke keuzes kunnen worden gemaakt.

Ten aanzien van de jurisprudentie van het EHRM heb ik wel willen poneren dat deze misschien wat te ver gaat in die gevallen waarin een getuigenverklaring beslissend is maar er geen enkele indicatie is dat die getuige bij het verhoor in aanwezigheid van de raadsman anders zou gaan verklaren. Hetzelfde geldt voor die gevallen waarin procespartijen ook niet goed weten aan te geven wat die getuige meer zou moeten worden gevraagd dan de politie al is gevraagd. Dat wringt vooral bij verdachten die zwijgen en geen aannemelijk alternatief scenario tegenover het verhaal van de getuige kunnen zetten. Ik zie dan inderdaad meer in de door het EHRM genoemde compenserende maatregelen, maar – anders dan in de jurisprudentie van het EHRM – al voordat alle mogelijkheden om een getuige te horen zijn uitgeput.

Tegelijkertijd moeten getuigen vanzelfsprekend geconfronteerd kunnen worden met inconsistenties in hun verklaring of bewijsmateriaal dat hun verklaring weerspreekt, maar één confrontatie is vaak voldoende. In ieder geval verbaast mij hoe makkelijk door wetenschappelijk geschoolde juristen wordt aangenomen dat het nogmaals ondervragen van een verdachte (en daarmee bedoel ik dus de verdachte tweemaal exact hetzelfde vragen) het antwoord op de betrouwbaarheidsvraag dichterbij brengt. De verdediging kan de rechter dan beter op inconsistenties wijzen en bewijsmateriaal dat de verklaring van de getuige weerspreekt. Dat is effectiever voor de rechtsbescherming én de waarheidsvinding dan een duur getuigenverhoor. Waardevol en inspirerend is het functioneren van de Bossche strafrechter Hermans die met een oog helemaal niets ziet en met het andere oog maar 6 %. Hij laat zien dat zijn handicap – buiten een bewonderingswaardige extra inspanning bij het lezen van de dossiers – niet aan een vlekkeloos functioneren in de weg hoeft te staan. Zijn uitlating onlangs in het NRC (22 oktober 2013) dat je op basis van het waarnemen van een getuige niet kúnt vaststellen of een getuige liegt en dat rechters die dat wel denken te kunnen ontslag moeten nemen is mij uit het hart gegrepen.

Uiteindelijk heb ik in mijn bijdrage alleen gedacht aan kostenverslindende en tot niets leidende getuigenverhoren en willen bepleiten dat ten aanzien van die verhoren vaker de ‘waarheen waarvoor’- vraag zou moeten worden gesteld. Die verhoren hebben dus géén betrekking op getuigen ten aanzien waarvan bij de politie bepaalde vragen niet zijn gesteld. De enige opmerking die ik me in dat verband heb veroorloofd is dat dat dan wel duidelijk moet worden gemaakt bijvoorbeeld door het presenteren van een aannemelijk alternatief scenario. Hetzelfde geldt voor getuigen ten aanzien waarvan aannemelijk kan worden gemaakt dat die anders gaan verklaren: natuurlijk moeten die worden gehoord.

De voorbeelden van Roelse in zijn blog kunnen dit mooi illustreren. Ik heb namelijk niet het idee dat het veel zin had om de kroongetuige waarover Roelse spreekt herhaaldelijk te ondervragen voordat hij uit het niets opbelde om zijn geweten te sussen. Tot die tijd had een verhoor hoogstwaarschijnlijk tot niets geleid. Na het telefoontje ligt dat anders, en zelfs dan zou de verdediging zich eerst kunnen afvragen of het verhaal van het telefoontje op zichzelf niet voldoende is om de strafrechter te kunnen overtuigen van de onbetrouwbaarheid van de kroongetuige, zeker wanneer dat vergezeld gaat van andere feitelijke omstandigheden op basis waarvan twijfels kunnen worden gezaaid over de verklaring van de kroongetuige.

Het andere voorbeeld van Roelse maakt mijn punt nog duidelijker. Wat kan een getuige die kort na een strafbaar feit zegt de verdachte te herkennen daarover nu een jaar na dato meer over verklaren? Effectiever is het om de strafrechter te overtuigen van de kwetsbaarheid van dergelijke verklaringen en het ontbreken van ondersteunend ander (en vooral: sterker) bewijs. Roelse geeft daar zelf in zijn reactie al een mooie aanzet toe. Overigens hoop ik dat ik ten aanzien van een DNA-match die wijst op een andere dader Roelse niet hoef te overtuigen van de zinloosheid van een aanvullend getuigenverhoor in een dergelijk geval.

Voor de rechtsbescherming van de verdachte én de waarheidsvinding zijn er dus vaak effectievere instrumenten dan het veelvuldig ingezette getuigenverhoor. Ik zie het als een verantwoordelijkheid voor alle procesdeelnemers maar ook de strafrechter om met het oog op die twee doelen van het strafproces eerst even af te vragen waar we nu helemaal mee bezig zijn wanneer getuigen worden verzocht en dergelijke verzoeken worden toegewezen. En om in dat verband een laatste misverstand weg te nemen: rechtsbescherming en waarheidsvinding staan ook voor mij op één. Het is misschien tijdstyperend om daarbij tevens op te roepen geen onnodige kosten te maken. Maar in een tijd waarin we nog steeds wachtlijsten hebben in de rechtspraak, mensen hun eten moeten halen bij de voedselbank en er geopperd wordt om bepaalde medicijnen niet meer te vergoeden, vind ik daar niets vies aan.

Dupliek Roelse

De kracht van het weblog Ivoren Toga is met het uitwisselen van deze re- en dupliek prachtig aangetoond. De bijdrage van Robroek stemt namelijk tot nadenken over de rol van procespartijen in het strafproces, niet alleen in het algemeen maar juist over de eigen positie in het bijzonder. Deze spiegel voor de rechtspleging en een ieder die hieraan bijdraagt, is buitengewoon interessant.

Robroek pleit in zijn repliek ervoor om bij een verzoek tot getuigenverhoren vaker de ‘waarheen waarvoor’- vraag te stellen. Ik ben dat met hem eens. Het gebeurt op zitting te vaak dat een advocaat om het horen van een getuige vraagt, maar niet (of heel gebrekkig) kan uitleggen waarom deze getuige nu precies moet worden gehoord.  Het is terecht dat rechters bij dit soort ‘verzoeken’ op zijn minst verlangen dat het verzoek – goed – wordt onderbouwd.  Het vragen om getuigenverhoren mag dan standaard in iedere gereedschapskist van een advocaat zitten, je hoeft het als advocaat niet automatisch te gebruiken. Afhankelijk van de belangen van een cliënt of de strategie van de verdediging kan het ook raadzaam zijn om als advocaat wijselijk je mond te houden en eens niet te vragen om het horen van een bepaalde getuige.

Maar er is meer aan de hand. Juist het debat op zitting over het nut en de noodzaak van getuigenverhoren is steeds vaker geen debat meer, maar eerder een behoorlijk vermoeiende rituele dans.  Het lijkt wel alsof iedere officier van justitie respectievelijk advocaat-generaal uit reflex roept dat er voor de verdediging ‘geen verdedigingsbelang’ of ‘geen noodzaak’ bestaat tot het horen van getuigen.  De zittingen waar een aanklager aangeeft om een getuige ook zelf eens te willen zien en horen, zijn waarachtig op een hand te tellen. Waarom lijkt het alsof die nieuwsgierigheid, het echt willen weten, juist bij getuigenverhoren zo vaak ontbreekt?  Gezien de essentiële rol die het getuigenverhoor in ons strafproces inneemt is een dergelijke grondhouding soms moeilijk te begrijpen, zeker als het gaat om de beoordeling van de betrouwbaarheid van een key witness of het inroepen van een forensische getuige-deskundige. Het vragen om getuigenverhoren moet voor een advocaat terecht geen automatisme zijn, maar het reageren op zo een verzoek dus ook niet!

Ook het koppelen van de beoordeling van een getuigenverzoek aan de procespositie van de verdachte gebeurt helaas nog te vaak.  ‘Waarom wilt u deze getuigen horen, misschien moet uw cliënt eerst maar eens verklaren! Hij zwijgt toch?’ Deze  koppeling is strafvorderlijk gezien buitengewoon onjuist.  Het niet antwoord hoeven te geven op vragen (zwijgrecht) staat niet voor niets voorin het Wetboek van Strafvordering en niet achterin. Het eerbiedigen van dat fundamentele recht staat totaal los van de beoordeling van de vraag, waarom het nodig is om een bepaalde getuige te horen.  De suggestie van Robroek dat verdachten die zwijgen eerst een aannemelijk alternatief scenario tegenover het verhaal van de getuige moeten zetten alvorens gehoord te mogen worden, deel ik om die reden dan ook niet.

Maar ik geef toe, soms heb ik die getuigen hartstikke hard nodig om het alternatieve scenario van de verdachte aannemelijk te kunnen maken!

Jillis Roelse is strafrechtadvocaat bij Roelse & Takens Advocaten te Amsterdam
Rick Robroek is stafjurist bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker bij vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger in de rechtbank Limburg.