Kostenverslindende en tot niets leidende getuigenverhoren

In veel strafzaken is het bewijs gebaseerd op getuigenverklaringen. Die verklaringen zijn meestal bij de politie afgelegd waardoor de verdediging die getuigen niet heeft kunnen ondervragen. Omdat het Europese recht de verdediging het recht toekent getuigen te ondervragen die essentieel zijn voor de vraag of de verdachte schuldig is, wordt er veel tijd gestoken in het horen van getuigen tijdens de behandeling van de strafzaak bij de rechtbank of bij het hof. Vaak leidt dit tot lang oponthoud niet in de laatste plaats omdat de getuige niet om de hoek maar in verre oorden woont met autoriteiten die op zijn zachtst gezegd nog een efficiencyslag moeten maken. De vraag is of de tijd die in het horen van getuigen wordt gestoken het wel waard is, ook en misschien wel vooral vanuit verdedigingsoptiek.

Natuurlijk is het horen van een getuige waardevol wanneer aan een relevante getuige bepaalde vragen nog niet gesteld zijn of wanneer er aanwijzingen zijn dat hij of zij terugkomt op een eerdere verklaring. Dat is echter vaker niet dan wel het geval. Veel getuigenverzoeken worden namelijk louter gemotiveerd met het feit dat de getuige nog niet in het bijzijn van de verdediging is gehoord gecombineerd met de aanname dat het horen van de getuige noodzakelijk is om de betrouwbaarheid van die getuige te toetsen. Wanneer een dergelijk verzoek getoetst wordt aan het verdedigingsbelang – dat wil zeggen aan de hand van de vraag of de verdachte redelijkerwijs in zijn verdediging geschaad wordt bij het achterwege blijven van de ondervragingsmogelijkheid – ligt afwijzing van een dergelijk verzoek voor de hand. Het is een illusie dat het nogmaals ondervragen van een getuige een beter antwoord op de vraag naar de betrouwbaarheid van een getuige mogelijk maakt. Ondervragingsdeskundigen zitten namelijk niet bij de rechtspraak, het OM of de advocatuur, maar bij de politie die de getuige vaak al wel ondervraagd hebben. Bovendien zegt een wijfelende, zwetende en roodhoofdige getuige niets over het waarheidsgehalte van de verklaring die hij aflegt. Zelfs een tegenstrijdige verklaring van een getuige zegt nog niets over de betrouwbaarheid van zijn politieverklaring. Beter is om de verklaring van de getuige afgelegd bij de politie te toetsen aan objectieve gegevens. Een getuige die verklaart op een bepaald moment in Nederland te zijn geweest, maar waarvan uit vluchtgegevens blijkt dat die toen in Brazilië zat, hoeft de verdediging echt niet meer te ondervragen. Een getuige confronteren met andere tegenstrijdige verklaringen is ook overbodig wanneer de verdediging argumentatief overtuigend weet te maken dat die andere verklaringen de waarheid meer benaderen dan de getuige die men wenst te ondervragen. Twijfel zaaien kan op andere en betere manieren dan het nogmaals ondervragen van getuigen.

Nu weet ik ook wel dat in sommige gevallen een getuigenverklaring bij het achterwege blijven van de ondervragingsmogelijkheid niet voor het bewijs mag worden gebezigd. De jurisprudentie ter zake gaat nogal ver (en misschien wel te ver gelet op het voorgaande). Het houdt kort gezegd in dat indien een verklaring beslissend is voor de vraag naar de betrokkenheid van verdachte bij een strafbaar feit deze slechts voor het bewijs mag worden gebezigd (a) wanneer de verdediging de betreffende getuige heeft mogen ondervragen of (b) indien dat niet mogelijk is er gerechtvaardigde redenen voor het achterwege blijven van die mogelijkheid moeten zijn én de verdediging compensatie geboden heeft gekregen voor het toetsen van de betrouwbaarheid van die verklaring. Gedacht kan worden aan jonge getuigen in zedenzaken waarvan het nogmaals ondervragen schadelijk is voor de gezondheid en het welzijn van de minderjarige en waarin compensatie kan worden geboden in de vorm van een deskundigenonderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de minderjarige zoals die buiten bijzijn van de verdediging is afgelegd.

Deze jurisprudentie heeft als voor de hand liggende consequentie dat sommige verklaringen niet voor het bewijs mogen worden gebezigd en dat een verdachte moet worden vrijgesproken. Dat is in individuele gevallen een drama, maar daar staat tegenover dat er legio daders bestraffing ontlopen omdat ook bij de inzet van de opsporingscapaciteit keuzes moeten worden gemaakt. Hoe onbevredigend ook, de verdediging zou dit moeten aanspreken.

Een consequentie die ik zelf wat meer uitgediept zou willen zien en waarover het ook vruchtbaarder is na te denken, is dat de verdediging in een vroeg stadium ten overstaan van de rechter wordt uitgedaagd uit te leggen waarom een getuigenverklaring beslissend is en andersom het openbaar ministerie waarom dat niet het geval is. Deze kwestie komt vaak pas bij requisitoir en pleidooi aan de orde. Het zou echter al bij het getuigenverzoek zelf expliciet en onderbouwd aan de orde moeten komen.

Ten slotte zou de rechtspraak moeten verkennen in hoeverre in de moeite die moet worden gedaan om een getuige in het buitenland te horen een gerechtvaardigde reden kan worden gevonden om van het horen van een getuige af te zien. Het standaardantwoord is nu vaak dat het toch moet worden geprobeerd, maar een kritische reflectie op waar we ‘nu helemaal mee bezig zijn’ ontbreekt. De vertraging gaat vaak het jaar te boven terwijl de aanvaardbaarheid van dat wachten in het licht van wat er op het spel staat soms verre van evident is. Er kunnen vervolgens altijd nog de eerder aangehaalde compenserende maatregelen worden geboden. In sommige gevallen zal een vrijspraak onvermijdelijk zijn, maar het is mij te makkelijk om dat te beschouwen als iets dat koste wat kost dient te worden voorkomen. Bij mogelijk ontlastende getuigen gaat dit allemaal niet op, maar in dat geval zou de verdediging tegemoet kunnen worden gekomen door bij afwijzing van een getuigenverzoek vast te stelen dat de schuldvraag zal worden beantwoord in de veronderstelling dat die niet gehoorde getuige een voor de verdachte gunstige verklaring aflegt. De verdediging kan vervolgens bij pleidooi uiteen zetten waarom een dergelijke (verondersteld gunstige) verklaring in het licht van het bewijs dat voorhanden is tot een vrijspraak zou moeten leiden en het openbaar ministerie waarom dat niet het geval is. Aan een goede beantwoording van de schuldvraag hoeft dat niet in de weg te staan, terwijl dat toch het doel moet zijn en niet het in stand houden van een hele industrie die betaald wordt met kostenverslindende en tot niets leidende getuigenverhoren.

Rick Robroek
Stafjurist Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg