Het grievenstelsel in strafzaken: ook in België moet het verder worden uitgebouwd

Inleiding

1. Zittingstijd is, ook in strafzaken, een schaars en kostbaar goed. Het ligt dan ook voor de hand dat deze zittingstijd zo efficiënt mogelijk moet worden benut, hetgeen voorafgaand inzicht veronderstelt in de aard en de omvang van het hoger beroep. Teneinde dit inzicht te kunnen verwerven, heeft het hof van beroep te Antwerpen, met de vijf balies van het rechtsgebied, een aanvullend protocol gesloten, waarbij vanaf 1 maart 2002, bij wijze van experiment, een grievenstelsel in strafzaken werd ingevoerd. Dit grievenstelsel biedt het openbaar ministerie en de andere in het geding zijnde partijen de mogelijkheid om, voorafgaand aan de behandeling van de zaak in hoger beroep, duidelijk te maken wat de bezwaren zijn tegen het bestreden vonnis.

2. Nu het hof van beroep te Antwerpen, niet alleen met de vijf balies, maar ook met de andere actoren van het rechtsgebied, een nieuw protocol wenst te sluiten ter bevordering van een efficiënt procesverloop in burgerlijke en strafzaken, is het tijd om even te blijven stilstaan bij de soms vergeten wettelijke support van het grievenstelsel en, na evaluatie van het sinds 1 maart 2002 lopende experiment, een lans te breken voor mogelijke aanpassingen.

II. Artikel 204 Sv, wettelijk support van het grievenstelsel

3. Artikel 204, één van de minder bekende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, biedt de appellanten de mogelijkheid om op de griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen of op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht, een verzoekschrift in te dienen dat de middelen van beroep inhoudt. Dit verzoekschrift, dat we ook grievenformulier kunnen noemen, is dus facultatief en het niet indienen ervan heeft geen enkele weerslag op de ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep.

4. Artikel 204 Sv. vermeldt dat de eiser in beroep het grievenformulier kan indienen. Elkeen die hoger beroep vermag in te stellen, heeft dus de mogelijkheid om de redenen van het hoger beroep te expliciteren in een ter griffie ingediend verzoekschrift.

5. Het grievenformulier kan worden ingediend, niet alleen op de griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen, maar ook op de griffie van de rechtbank of van het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht. Het indienen van het grievenformulier ter griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen, is mogelijk zolang de appeltermijn nog niet is verstreken (Zie Noot onder Cass. 26 maart 1985, Arr.Cass. 1984 (85), 1029-1031).
Daarna is de griffie van het appelgerecht de plaats waar het verzoekschrift kan worden ingediend.

6. Over de inhoud van het grievenformulier heeft de wetgever zich nauwelijks uitgelaten. Artikel 204 Sv. vermeldt enkel dat het grievenformulier de middelen van hoger beroep inhoudt. Deze middelen zijn niets anders dan de bezwaren of de grieven van de appellant tegen het besteden vonnis.

III. Het grievenstelsel in de praktijk

7. Wanneer het grievenstelsel een vaste plaats verwerft in de appelprocedure, betekent dit winst voor alle betrokkenen.
Partijen waartegen het hoger beroep is gericht, zullen immers weten waaruit de bezwaren van de appellant in concreto bestaan. Voorbewerking met het oog op de behandeling ter terechtzitting kan daardoor dan ook gerichter geschieden.
Ook voor het appelgerecht levert het een tijdwinst op in de voorbereiding en bij de behandeling van de zaak, waardoor een efficiëntere, snellere en kwalitatief wellicht betere procesvorming mogelijk wordt.

8. Het grievenstelsel in strafzaken, dat bij wijze van experiment vanaf 1 maart 2002 ingevoerd werd voor het rechtsgebied Antwerpen-Limburg en waarvoor nadere informatie kan worden gevonden op de website van het hof van beroep te Antwerpen, beantwoordt niet helemaal aan de hierboven geschetste verwachtingen. In vele gevallen wordt geen gebruik gemaakt van het grievenformulier, zodat geen tijdwinst kan worden gerealiseerd bij de voorbereiding van het dossier. De ontstentenis van een grievenformulier maakt het ook moeilijker om de tijd in te schatten die aan de behandeling van een zaak zou moeten worden besteed. Het eerder beperkte gebruik dat van het grievenformulier wordt gemaakt, is vermoedelijk toe te schrijven aan het facultatief karakter ervan en de mogelijkheid die elke appellant heeft om ter gelegenheid van het debat in hoger beroep alle middelen of grieven aan te voeren tegen het bestreden vonnis. Voor de gevallen waarin het grievenformulier toch wordt gebruikt, kan worden vastgesteld dat de voorgedrukte rubrieken eenvoudig worden aangekruist en dat elke motivering van de aangevoerde grieven ontbreekt. Ook de pleitduur wordt niet steeds correct ingeschat.

IV. Mogelijke aanpassingen

9. Zoals in Nederland voorgesteld in de aanbevelingen die opgenomen zijn in de Agenda voor de Appelrechtspraak 2020 moet ook in België het grievenstelsel worden uitgebouwd en zou in de wet de verplichting moeten worden ingeschreven dat de grieven tegen het bestreden vonnis nauwkeurig, doch op een wijze die beknopt mag zijn, vermeld dienen te worden in het grievenformulier.
Het ontbreken van ingediende bezwaren of het evident ongegrond zijn daarvan zou een reden kunnen zijn voor het niet ontvankelijk verklaren van het hoger beroep.

10. T.a.v. de beklaagde kan de sanctie van het niet-ontvankelijk verklaren van het hoger beroep wellicht als te verregaand worden beschouwd. Van een beklaagde die niet professioneel wordt bijgestaan kan immers redelijkerwijze niet worden verwacht dat hij de bezwaren tegen het bestreden vonnis expliciteert in het grievenformulier. Daar komt nog bij dat de beklaagde zich in hoger beroep niet zelden laat bijstaan door een andere advocaat. Het zou moeilijk aanvaardbaar zijn dat de opvolgende raadsman in een verplicht grievenstelsel gebonden is door de grieven die geformuleerd werden door de raadsman die het hoger beroep instelde.

11. Van het appelerende openbaar ministerie kan echter wel worden gevergd dat het de bezwaren tegen het bestreden vonnis expliciteert in het grievenformulier.
Aan het niet voldoen van deze verplichting zou echter wel voor het openbaar ministerie de sanctie kunnen worden verbonden van het niet-ontvankelijk verklaren van het ingestelde hoger beroep.

12. In de grievenformulieren, die ter beschikking worden gesteld op de griffies, moet onder de voorgedrukte rubrieken voldoende ruimte worden gelaten om aan het openbaar ministerie en de andere in het geding zijnde partijen toe te laten de aangevoerde grieven te expliciteren. De huidige praktijk wijst immers uit dat wegens plaatsgebrek op het grievenformulier de ingeroepen bezwaren tegen het bestreden vonnis enkel worden aangekruist zonder dat zij inhoudelijk worden toegelicht.

13. Op het grievenformulier moeten de appellerende partijen niet alleen kunnen vermelden waartegen het hoger beroep zich specifiek richt, maar ook welke bijkomende onderzoeksverrichtingen zij in voorkomend geval verlangen.

Michel Rozie
Eerste Voorzitter Hof van beroep Antwerpen, alsmede docent en praktijklector Vrije Universiteit Brussel