Het vaststellen van feiten

Feiten zijn misschien wel het belangrijkste onderdeel van vonnissen. Zonder eerst de feiten op een rijtje te zetten kan geen rechter in een juridisch geschil een behoorlijke uitspraak doen. In civiele zaken staat zelfs in de wet (art. 230 lid 1 aanhef en onder e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) dat de rechter in zijn vonnis de feiten moet vaststellen. De meeste vonnissen in zaken tussen burgers onderling beginnen, na enkele formaliteiten, dan ook met het hoofdstukje “Vaststaande feiten”. In het strafrecht ligt dat allemaal wat gecompliceerder. Daar heeft het begrip “feiten” ook niet zo’n eenduidige betekenis als in civilibus.

De complicaties beginnen al met de verwarring tussen enerzijds “strafbare fei-ten” (ook wel “delicten”) en anderzijds “redengevende feiten (en omstandigheden)”, die ten grondslag moeten liggen aan de vaststelling dat een delict is begaan. In deze column gaat het over het laatste: de bewezenverklaring moet be-rusten op redengevende feiten en omstandigheden. Die moeten op hun beurt uit de bewijsmiddelen blijken.
Voorheen was het gebruikelijk in zaken van de meervoudige kamer (MK) eerst een zogenaamd verkort vonnis te maken en de bewijsmiddelen pas uit te werken, als hoger beroep werd ingesteld. De uitwerking geschiedde in de vorm van een aanvulling op het vonnis waarin de processen-verbaal met de voor de bewezenverklaring relevante inhoud (lees: de redengevende feiten en omstandigheden) werden opgesomd.

Sinds een aantal jaren experimenteren de gerechten met een nieuw systeem, Promis genaamd. Bedoeling daarvan is beslissingen over bewezenverklaring en strafmaat beter uit te leggen (te motiveren). Formeel is een Promisvonnis echter niets meer dan een vonnis waarin de bewijsmiddelen al zijn opgenomen.
De wijze waarop de bewijsmiddelen in het vonnis worden verwerkt, is onderwerp van heel wat discussies en conferenties geweest. Het leek steeds logisch aan te sluiten bij de vorm die in civielrechtelijke vonnissen wordt toegepast. Dat wil zeggen dat na de formulering van de tenlastelegging eerst de (redengevende) feiten en omstandigheden waarover geen discussie bestaat, worden vastgesteld. Vervolgens komen de standpunten van de officier van justitie en de verdediging over de onderdelen waarover zij het niet eens zijn. En dan volgt de beoordeling door de rechter, met een bespreking van die standpunten en een conclusie. Zo gaat het in civiele zaken mutatis mutandis ook.

Maar waar in civiele zaken partijen bepalen welke feiten in hun geschil als vaststaand mogen worden aangemerkt, ligt dat in strafzaken anders. Daar zoekt de rechter de waarheid en die kan een andere zijn dan die waarover “partijen” (officier van justitie en verdachte) het “eens zijn”. Gechargeerd gezegd: als partijen in een civiel geschil zeggen dat 1+1=3, dan staat dat in hun procedure als feit vast. In een strafzaak kan de rechter dat niet accepteren.
Toch helpt het bij het maken van vonnissen in strafzaken, als je ervaring met het schrijven van civiele uitspraken hebt. Dat blijkt in de praktijk, als je ziet hoe griffiers (die de concepten maken) en rechters (die uiteindelijk de tekst vaststellen) met het vaststellen van de feiten worstelen. Vooral degenen die nooit (of lang geleden) vonnissen in civiele zaken hebben gemaakt, hebben daarmee moeite.

Waar gaat het mis? Ten eerste bij de selectie van wat wel en wat niet als vaststaand kan worden aangenomen. De clue is dat, als je naar aanleiding van de standpunten van OM en verdediging een redenering nodig hebt om tot de vast-stelling als feit te komen, je dat pas kunt doen na het bespreken van die stand-punten.
Ten tweede struikelt men over het onderscheid tussen feiten en bewijsmiddelen. De aangifte van een slachtoffer (bijv. van een diefstal) is geen (redengevend) feit, maar een bewijsmiddel waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat. Niet zelden zie je in een (concept-)vonnis een bewijsmiddel als “vaststaand feit” staan. (Met opzet staat hier “concept-“ tussen haakjes, want er glipt nog weleens wat door. Ook rechters zijn dus niet altijd even “zuiver in de leer”.) Ten derde komen onder het kopje “Feiten” nogal eens conclusies voor. Ook dat kan niet, want conclusies vloeien per definitie uit een redenering voort en dat maakt alleen al dat je ze pas in je beoordeling kunt (be)trekken.

Hoe moet hiermee worden omgegaan? We kunnen iedereen cursussen geven, waarin veel met het maken van vonnissen wordt geoefend. En dat gebeurt in di-verse rechtbanken ook wel. Maar cursussen en de voorbereiding daarop gaan altijd ten koste van het werk en daar houden managers niet van. Probleem is ook dat we in strafzaken maar twee weken de tijd hebben tussen het moment waarop het onderzoek ter terechtzitting wordt gesloten (direct na het laatste woord van verdachte), en de dag waarop het vonnis moet worden uitgesproken. In civiele zaken bestaan daarvoor in beginsel geen termijnen en kan men dus langer aan een vonnis sleutelen.
Kortom, we moeten iets anders verzinnen. Daaraan wordt inmiddels zowel op landelijk als lokaal niveau gewerkt. Wat is dat “andere” dan? Daarop kom ik volgende keer terug.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter Rechtbank Amsterdam

2 gedachten over “Het vaststellen van feiten

  1. Pingback: Promis revisited

  2. Pingback: http://www.publiekrechtenpolitiek.nl/wordpress/wp-content/uploads/2012/02/Justitie.jpg

Reacties zijn gesloten.