Commotie in de Haagse rechtszaal over berechting veroorzaker dodelijk verkeersongeval

22 juli 2013 ontstond een vechtpartij in een Haagse rechtszaal over een volgens het publiek te lichte straf die geëist was voor de veroorzaker van een dodelijke aanrijding. Zedenzaken en verkeersongevallen roepen in het strafrecht vaak de grootste emoties op. Hoe komt dat, is dat in deze zaak verklaarbaar en had het anders gekund?

Bij de inwerkingtreding van ons Wetboek van Strafrecht in 1886 koos de wetgever voor een driedeling: overtredingen, schuld- en opzetmisdrijven. Het grote verschil tussen de laatste twee misdrijven is dat de verdachte van een schuldmisdrijf het dodelijke gevolg niet heeft gewild en bij een opzetmisdrijf wel. Dit mondde uit in een groot verschil in strafbedreiging. Op het veroorzaken van dood door schuld stond maximaal een jaar straf, op doodslag daarentegen 15 jaar. Er werd begin van de twintigste eeuw echter voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval het hogere strafmaximum van 3 jaar in de wet opgenomen. De laatste vijftien jaar zijn verdere pogingen ondernomen om tot nog hogere straffen te komen. Waarom gebeurt dat dan niet? Dat zit zo.

Iemand doodrijden veroorzaakt vele begrijpelijke emoties, maar als de verdachte die dood niet heeft gewenst blijft het een ongewild ongeluk dat louter met straf wordt bedreigd om de verdachte en de samenleving de ernst van overtredingen nog eens grondig in te scherpen. Normdemonstratie noemen we dat! Waarom is er dan toch zo’n onbegrip bij publiek en nabestaanden als er iemand wordt dood gereden en de straf eindigt in een werkstraf?

Laten we eens beginnen met de miljoenen verkeersovertredingen per jaar. Dader en slachtoffer, nabestaanden en zelfs justitiemedewerkers maken verkeersfouten. Daar zitten ze niet erg mee in hun maag omdat ze denken dat ze de verboden verkeersmanoeuvre veilig konden uitvoeren. Ze stellen hun eigen veiligheidsinschatting hoger dan die van de wetgever. Die verkeerde inschatting heeft na de tweede wereldoorlog meer dan 100.000 doden op de Nederlandse wegen opgeleverd, meer slachtoffers dan de gehele oorlog aan slachtoffers heeft opgeleverd. Elke week overlijden er meer dan 12 doden door fouten die iedereen wel eens maakt. Vele miljoenen overtredingen die niemand ernstig vindt, tot er iemand als gevolg van zo’n overtreding overlijdt, pas dan ontstaat er vaak een enorme bundeling aan emoties en wraakbehoefte. Maar een overtreding is slechts een overtreding en niet meer dan dat.

Om een schuldmisdrijf te bewijzen moet er dus meer zijn dan de kale overtreding, er moet sprake zijn van grove schuld, wat inhoudt: een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Anders gezegd, de kale onvoorzichtigheid is niet voldoende, er moet meer zijn om voor een schuldmisdrijf veroordeeld te worden. Daarbij kan worden gedacht aan meer overtredingen, het te hard rijden bij slecht zicht door een grote regenval, of het rijden met gladde banden zonder licht, en zo verder. Die te bewijzen schuld kan bestaan uit verschillende gradaties: onoplettendheid, onvoorzichtigheid of roekeloosheid om het maar even te beperken tot de drie belangrijkste categorieën.

Een concreet voorbeeld om de doorsnee straffen te verklaren. Wie roekeloos rijdt en het slachtoffer een gebroken enkel bezorgt, krijgt in beginsel een zwaardere straf dan de onoplettende verkeersdeelnemer die een dodelijk verkeersongeval veroorzaakt. Sinds duizenden jaren gaat het strafrecht uit van straf naar de mate van schuld. Het dodelijke gevolg is op zich dus niet genoeg voor een hoge straf, belangrijker is hoeveel schuld de dader aan het verkeersongeval heeft en die schuld moet dus, ik herhaal het nog maar eens, meer zijn dan de enkele overtreding.

Het dodelijke verkeersongeval waarover de commotie in de Haagse rechtszaal ontstond ging over een automobilist die op een zomerse dag bij goed en helder zicht iets te hard reed en een fietsende jongen over het hoofd zag ten gevolge waarvan de laatste overleed. De officier van justitie heeft uitvoerig technisch onderzoek laten uitvoeren waaruit niet meer naar voren kwam dan de enkele overtreding dat de verdachte chauffeur de jongen over het hoofd heeft gezien. In een grondig en genuanceerd requisitoir moet de officier van justitie zich nog in bochten wringen om van de enkele verkeersovertreding tot het schuldmisdrijf te komen.
Volgens standaard rechtspraak is de enkele fout van het niet zien van het slachtoffer onvoldoende voor het bewijs van het schuldmisdrijf ‘dood door schuld in het verkeer’. De officier van justitie moet een tournure uithalen met het uitvergroten van de omstandigheid van de genaderde kruising die het niet zien van het slachtoffer ernstiger maakt dan een gewone fout van onoplettendheid. Daarmee wordt de gewone fout verzwaard met de wegsituatie waarin meer oplettendheid is vereist jegens mogelijk andere verkeersdeelnemers, zoals hier de later overleden fietser. Dat is een redenering die in het verleden vaker tot bewijs van schuld heeft geleid, maar die niet roekeloosheid als zwaarste schuldgraad oplevert.

Bij het publiek leven altijd dezelfde vragen over de mogelijke straf, waarbij ik niet meer kan doen dan in algemeenheden spreken omdat de zaak nog onder de rechter is.
Om te komen tot een hogere strafeis, met een substantiële, onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aantal jaren, is nodig dat de verdachte roekeloos heeft gereden met meerdere ernstige verkeersovertredingen. In de Haagse zaak is dus sprake van een gewone eis die recht doet aan wat in dit soort verkeerszaken gemiddeld wordt opgelegd. Natuurlijk had de officier van justitie ook een zwaardere straf kunnen eisen, maar dan is er meestal sprake van specifieke recidive. Natuurlijk kan een officier van justitie een zwaardere straf eisen, maar als deze hoger is dan in soortgelijke zaken, is er sprake van willekeur en geen rechtseenheid en het laatste probeert de rechtspraak zoveel mogelijk te bevorderen. Nog drie opmerkingen.

1. De vele verkeersovertredingen (nota bene: sowieso geen misdrijven) die de verdachte lijkt te hebben gemaakt, zijn uit het strafrecht gehaald en worden door het administratieve recht afgedaan. Formeel is de verdachte daarom niet met politie of met justitie in aanraking gekomen. Daarmee wordt het lastiger om ze bij de hoogte van de straf in een strafzaak te laten meespelen. Deze zaak laat echter voor de honderdduizendste keer zien dat het niet naleven van verkeersregels geen bagatel is, maar potentieel heel gevaarlijk. Dat dit soort dodelijke ongevallen blijven gebeuren leert helaas veel over het structureel tekortschietende normbesef in het wegverkeer.
2. Dat er een gevecht in een rechtszaal ontstaat, wijst in de tweede plaats op emotie die hopelijk niet tendeert naar eigenrichting van familie en vrienden van het slachtoffer. Zoiets kan nooit getolereerd worden in een rechtszaal. Het recht moet zijn loop hebben, er is in deze zaak nog niet eens een vonnis. Het onpeilbare verdriet van nabestaanden kan nu eenmaal niet worden opgelost via het strafrecht, voor die (na)zorg zijn andere instanties. Of voor die nazorg de media een goede rol vervullen weet ik niet. De camera’s bleven lopen tijdens het handgemeen. In strijd met de afspraken met het gerecht heeft de omroep die beelden toch uitgezonden, waarna het gerechtsbestuur liet weten dat deze omroep toch weer welkom was. Heel wonderlijk! In deze kwestie liet de omroep zien dat zij het belang van infotainment hoger stelde dan de belangenafweging die het gerecht maakte. Ik zou deze omroep nooit meer in het paleis van justitie toelaten.
3. Mijn slotvraag: hoe kan justitie de verwachtingen van het publiek en de media zo bijstellen dat er minder irreële beelden ontstaan van het strafrecht bij het berechten van dodelijke verkeersongevallen?

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG, voormalig hoogleraar verkeersrecht RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden