De mantra van een professionele rechterlijke standaard

Naast de mantra dat iedereen binnen de rechterlijke macht hard en vol overgave werkt, wordt in het zoeken naar een professionele standaard door rechters zelf ook een oplossing gezien voor de rechterlijke onrust. In het kielzog van sociale wetenschappers die onderzoek doen naar professionals en professionele organisaties, hebben talloze bestuurders zich in die zin de afgelopen tijd uitgelaten. Frits Bakker, CIO van de Raad voor de rechtspraak, laat bij herhaling weten dat het belangrijk is dat de rechtspraak de komende jaren werk maakt van de professionele standaard en dat rechters die in onderling overleg zelf moeten vaststellen. Ook in de brief van de Raad voor de rechtspraak naar aanleiding van het manifest staat dat rechters zelf verantwoordelijk zijn voor het ontwikkelen van professionele standaards. De rechter aan zet dus, maar de vraag is of professionele onrust zo makkelijk valt te dempen.

De professionele standaard ziet namelijk bij uitstek op de wijze waarop de individuele rechter zijn werk inricht en is zo beschouwd nauw verweven met zijn individuele taakopvatting. Een dossier kan letter voor letter gelezen worden of op hoofdlijnen gerelateerd aan de pijnpunten van de verdediging en het openbaar ministerie. Ter zitting kunnen iedere verklaring en elk onderzoeksresultaat worden voorgehouden, maar het voorhouden van stukken kan ook worden beperkt tot de betwiste stukken en afhangen van de wensen van de procespartijen. Bij de uitwerking van de zaak kan iedere weg die de rechter daarbij inslaat, tot in de puntjes en uitgebreid worden gemotiveerd, maar ook hier kan gekozen worden om op hoofdlijnen te motiveren. In hoger beroep kan er bovendien voor worden gekozen het vonnis van de rechtbank te bevestigen en kleine onregelmatigheden over het hoofd te zien of vanwege die onregelmatigheden het vonnis te vernietigen en bij Adam en Eva te beginnen.

Het probleem is nu dat, anders dan bijvoorbeeld in de medische wereld, de rechtspraak zich in zijn geheel niet kan bedienen van de empirische resultaten van een bepaalde standaard. Tot op zekere hoogte – bij het ene specialisme wat meer dan bij het andere en natuurlijk zijn er ook nog de alternatieve vormen van gezondheidszorg – zijn voor artsen eenduidige richtlijnen beschikbaar over welke behandeling het meest geëigend is voor een bepaalde kwaal. In de rechtspraak ligt dat gecompliceerder. Evidence based strafoplegging is, gelet op de discussies die daarover tussen gedragswetenschappers kunnen bestaan, in ieder geval lastig. Hetzelfde geldt voor aspecten van bejegening in de richting van openbaar ministerie, advocatuur, verdachten en slachtoffers. Het is niet onwaarschijnlijk dat we nooit echt zullen weten welk optreden ter zitting en welke toon in een uitspraak het meest geëigend is. Misschien wel de grootste complicatie is dat groot verschil van mening kan bestaan over de resultaten waarnaar de rechtspraak moet streven. Iedere arts wil een patiënt genezen, maar de doelen van rechters kunnen veel diffuser zijn. En bij dit alles heb ik nog onbenoemd gelaten dat in het rechterlijk werk ook iets persoonlijks zit, waarbij de keus voor een bepaalde manier van werken niet alleen zal rusten op een bepaalde opvatting, maar ook op datgene wat het beste bij de betreffende rechter past.

Dat discussies over rechterlijke standaarden met veel emoties gepaard kunnen gaan, zien we recent terug in het NJB waarin advocaat Jebbink zich ernstig opwindt over de door hem veronderstelde keuze van de Hoge Raad een onterechte veroordeling in stand gelaten omdat de advocaat van de verdachte op dat punt niet heeft geklaagd. Kortom, een keuze van de Hoge Raad voor een bepaalde professionele standaard. Hierover valt veel te zeggen, maar ik beperk me tot de onaangename toon die Jebbink aanslaat. Hij noemt het oordeel van de Hoge Raad ‘huiveringwekkend’, vraagt zich af hoe ‘zuiver’ de raadsheren zijn en concludeert uiteindelijk dat geen van de raadsheren van de Hoge Raad tot ‘medemenselijkheid’ in staat is.

De door de bestuurders gewenste zoektocht naar een professionele standaard zal binnen de rechtspraak hopelijk niet zo op de man worden gespeeld. Dat neemt niet weg dat die zoektocht mogelijk ook een emotionele lading kan hebben of krijgen. Misschien is dat ook de reden dat een dergelijke zoektocht nog nooit op gang is gekomen. Emoties maken een open en zakelijk gesprek, zonder taboes op bepaalde standaarden, laat staan het vinden van een professionele standaard, namelijk erg lastig. De mantra van de professionele standaard maakt andere standaarden afwijkend of in de woorden van Jebbink: onzuiver. De generalistische benadering en uitlatingen van bestuurders vergroten zo de kans op taboes, emoties én professionele onrust. Het ware aan te bevelen dat de bestuurders niet langer een professionele standaard in het vooruitzicht stellen, maar zich beperken tot het aanjagen van een professioneel debat daarover. Een dergelijk debat is mogelijk belangrijker voor meer onderling begrip en nuance tussen rechters over elkaars werkwijzen, dan het onhaalbare doel van een professionele standaard.

Rick Robroek
Stafjurist gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg