De (on)zin van marktwerking en kwantificering in de rechtspraak

Inleiding
Steeds vaker worden vragen gesteld over de financiering van rechtspraak en bijbehorende procedures en methodieken uit de managementwereld, zoals benchmarking. Zie alleen al het rechterlijk manifest van enkele maanden geleden waarin kritiek wordt geuit op de perverterende effecten van financiering van publieke taken als rechtspraak. Rechtspraak zou geen marktproduct zijn dat onderhorig is aan financiële sturingsmethoden. Vooreerst stel ik vast dat de rechterlijke macht in de klassieke betekenis van het woord geen marktwerking kent. Marktwerking betekent immers het in een vrije economie elkaar ontmoeten van vraag en aanbod, met vrije prijsvorming die wordt bepaald door de omvang van het aanbod afgezet tegen de omvang van de vraag, wat normaliter ook, maar niet altijd, tot competitie tussen marktspelers leidt. Een dergelijke competitie zou betekenen dat gerechten (en rechters) onderling de competitie aangaan om strafzaken binnen te halen (als aanbieders van recht). Een advocaat (of officier) zou dan vrij kunnen kiezen voor het gerecht met de hoogste juridische kwaliteit, de beste behandeling of de snelste doorlooptijd, tegen een bij het aanbod passende prijs (snel en goedkoop of van de hoogste kwaliteit en duur). Daarvoor zou de relatieve competentie moeten worden
afgeschaft en dat zie ik niet gebeuren. Hoe klein het draagvlak in de samenleving is voor vrije prijsvorming in de Rechtspraak hebben we gezien bij de discussie over kostendekkende griffierechten.