Ivoren Toga

Op 21 december 2018 verscheen op Ivoren Toga de laatste bijdrage in het vaste wekelijkse stramien zoals dat bijna zeven jaar gebruikelijk was. In die tijd zijn er een paar honderd korte en langere stukken geplaatst over de werking van het strafrecht. In de toekomst zal de Ivoren Toga nog benut worden voor incidentele bijdragen al dan niet geregeerd door de actualiteit maar de veelal andere kijk op de strafrechtspraktijk zal niet meer wekelijks gehoord worden.

Ter gelegenheid hiervan is door Boom juridisch een boek uitgegeven met een groot aantal blogs die de vaste auteurs (Dato Steenhuis, Willem Korthals Altes, Peter Lemaire, Rinus Otte, Peter Plasman en zijn kantoorgenoten, Rick Robroek en Dato Steenhuis) van henzelf hebben geselecteerd. Naast oude blogs zijn dat nieuwe blogs waarin de vaste auteurs in najaar van 2018 terug of vooruit hebben gekeken. Het boek biedt daarmee een mooi beeld van het strafrecht en de organisatie daarvan in het huidige tijdsgewricht en de wijze waarop die in de loop van de jaren (al dan niet) veranderd zijn. Passend bij het einde van de opiniërende Ivoren Toga in de huidige vorm wordt dat laatste oordeel aan de lezer gelaten. Lees meer …

Einde Ivoren Toga in de huidige vorm en vooruitblik op de strafrechtspraktijk

Dit is het (en mijn) laatste blog voor Ivoren toga dat in een vast wekelijks stramien verschijnt. Ook de bloggers Rick Robroek, Dato Steenhuis, Willem Korthals Altes, Peter Plasman en zijn advocaten en Peter Lemaire hangen de harp aan de wilgen. Onze strafrechtelijke muziekstukjes zullen niet altijd meegezongen zijn, soms zijn verfoeid, maar waren zonder uitzondering pogingen om de strafrechtspraktijk te kritiseren op een opbouwende wijze. Wie in deze stukken doelgericht was op verandering van de praktijk zal teleurgesteld zijn geweest. Wie schreef om het schrijven, wie polemiseerde om het debat, zal blij zijn geweest met de voetnoten en plaatsen in de hoofdtekst van artikelen, annotaties en parlementaire stukken, zoals Robroek het meest ten deel is gevallen. Maar het blog Ivoren toga was bedoeld om discussie los te maken, meer discussie dan nu in de interne publicaties van de rechterlijke organisatie te vinden zijn. In die zin is het blog geslaagd, ware het niet dat, na het verscheiden van dit podium, de behoefte blijft om intern debat op een hoger en objectiever plan te laten plaatsvinden dan nu soms het geval is. Lees meer …

“Staat en taboe. Politiek van de goede dood” van Paul Frissen, Boom Amsterdam 2018

Bespreking bij de vernissage in Den Haag op 12 november 2018

Enkele weken geleden hield ik een verhaal voor een grote groep artsen die euthanasie praktiseren bij psychiatrische patiënten. Ik was uitgenodigd te spreken onder een soort titel als Euthanasie als laatste troost bij psychiatrisch lijden.

Ik ving aan met een oud gedichtje van Tsjwang Tze dat als volgt gaat:

Om vissen te vangen gebruikt men aas. Heeft men de vissen gevangen, dan kan men het aas vergeten
Om konijnen te vangen gebruikt men een strik. Heeft men de konijnen gevangen, dan kan men de strik vergeten.
Men gebruikt woorden om hun betekenis uit te drukken. Wordt de betekenis verstaan, dan kunnen de woorden vergeten worden. Waar vind ik een mens die de woorden vergeet opdat ik met hem praten kan? Lees meer …

Onbevangenheid en gebalanceerde bevangenheid

Het leven met een bevangen gevoel
In adventstijd worden kerstliederen gezongen en boodschappen over licht en vrede wijds verkondigd. Tijdens de kerstdagen hopen velen een ontvankelijke geest voor samenzijn en hoop te hebben of te ontwikkelen. Als kinderen zo onbevangen zijn. Het is echter niet zo eenvoudig om onbevangenheid te voelen in een tijd van oorlogen en geruchten van oorlog, van boosheid en opstandigheid. De verleiding van een geel hesje bij zowel aanvallers als verdedigers is groot.
Mijn worsteling en van vele professionele omstanders is dat we in een tijd leven waarin de aanval op instituties en op de persoon achter het ambt groter lijkt dan ooit tevoren. Als die aanval komt van een teleurgestelde verdachte of burger is er niet zoveel mis, want wie kan zich het verdriet van procesdeelnemers niet voorstellen bij een uitkomst die ze moeilijk te verteren vinden? Ik heb me tegen die teleurstelling nooit hoeven te wapenen, want het recht is er voor de rechtzoekenden, zowel voor verdachten al slachtoffers. Zonder draagvlak bij hen kan het recht in de mottenballen.
Met (social) media kan het anders liggen omdat er een frame wordt gekozen dat niet opbouwend lijkt of geen onbevangenheid of ontvankelijkheid toont voor aangedragen en – wetenschappelijk – getoetste feiten. De doorsnee professional, van arts, burgemeester tot magistraat, kent teleurstelling als zijn of haar persoon wordt gediskwalificeerd op het moment dat een beslissing of uitkomst wordt betwist en niet gedragen. Terwijl Nederland in de kern een geweldig land is, hoog op de ranking lijsten van prestaties. Die inzet, die enorme inspanning, of andere harde en verifieerbare feiten weggezet zien als misstanden stelt veel professionals teleur, maar jaagt tegelijkertijd een geel hesjesgevoel van toeschouwende burgers aan en leidt tot al dan niet vermeende kloven met de gekritiseerde beroepsgroep. Lees meer …

De moeizame wals tussen instituties en de pers

Er ontstaat soms rumoer naar aanleiding van onthullingen door de media over instituties en hoge functionarissen. Sommer neemt in zijn column “Het WODC-reinigingsritueel” (Volkskrant 3 november 2018) rituele reinigingsrituelen waar, gebaseerd op een nieuwe politieke correctheid. Sommer maakt een goed punt, tegelijkertijd denk ik dat rituelen ook een krachtige en goede betekenis hebben, zoals de emeritus hoogleraar Wijsbegeerte, Herman de Dijn, in zijn recente boek over rituelen inzichtelijk maakt. Maar Sommer heeft op zich gelijk dat er vaker bijltjesdag plaatsvindt op grond van journalistiek aandoende vondsten die bij een scherpe beschouwing niet meer inhouden dan een handige framing, naming en shaming die niet alleen personen maar ook instituties schaden. Lees meer …

Terugblik en vooruitblik op stijlen van besturen en leidinggeven in het publieke domein

Inleiding
Vanaf ruim 20 jaar geleden heb ik hoofdzakelijk in de rechtspraak zogeheten integraal leiding gegeven aan rechters en ondersteunende medewerkers in verschillende gerechten. Omdat ook ik een kind van mijn tijd ben weerspiegelen die stijlen in min of meerdere mate de bestuurskundige opvattingen die over het sturen van professionals de ronde deden. Het lijkt me in de oudejaarsmaand zinnig om terug te kijken op zowel mijn eigen opvattingen en stijlen als op die van de bestuurlijke ontwikkeling van de rechterlijke organisatie. Lees meer …

Strafrecht, wie vindt er nou niet wat van?

Ik droom wel eens (variant op de examennachtmerrie) dat ik in de rechtszaal sta en een pleidooi moet improviseren over een torenhoog dossier waarvan ik geen letter heb gelezen.
Laatst had ik nog een juridische droom: ik stond op het punt de zittingszaal (Engels, streng gelambriseerd) te betreden, voor een heel heftige zaak, maar wist niet of ik nou de advocaat of de verdachte was.
Toen ik dit aan iemand vertelde, kwamen we erop dat dit scenario een aardig denkexperiment kon opleveren om mensen te laten reflecteren op het strafrecht. Niet dat daar te weinig meningen over bestaan. Die liggen gratis bij de kapper. En tijdens mijn twintig jaren in de business lijken ze unisono te tenderen naar het ‘meer, strenger, harder’ van zeg een Dato Steenhuis. Ik betreur dat en denk dat we met het opgeven van onze gematigde, humane straftraditie iets wezenlijks hebben verloren. Maar dat is ook maar een mening. Over de vermeende stem van het volk kunnen we niet neerbuigend doen. Geen rechtstaat zonder breed gedragen vertrouwen.
Nu het gedachte-experiment. Stel je voor dat je deelnemer bent aan een beladen strafproces. Bijvoorbeeld over een terroristische aanslag waarbij doden en gewonden te betreuren zijn. Je staat op het punt de zittingszaal binnen te gaan, maar weet niet in welke hoedanigheid: slachtoffer, nabestaande of verdachte. Ook weet je van tevoren niet of je dader of onterecht beschuldigde zal zijn. De vraag is: hoe zou je, in die wolk van onwetendheid, willen dat het strafproces georganiseerd is? Hoeveel bewijs is toereikend voor een veroordeling? En wat doe je met de straf: matigen of hard erop slaan?
Het is essentieel dat de respondent goed voor ogen houdt dat hij in elke rol terecht kan komen. Hij moet zich grondig inleven in gevoelens als angst, wraakzucht, zelfbehoud en drang naar waarheidsvinding. Door zich dat allemaal levendig in te beelden wordt hij als het ware weggevoerd van de alledaagse opvattingen van de internetgebruiker, die overal wat van vindt, maar steeds geneigd is te denken: dat gaat niet over mij. En vervolgens krijgt hij een reeks keuzedilemma’s te beantwoorden.
Wie ooit rechten heeft gestudeerd, herkent misschien een echo van de rechtsfilosofische klassieker A theory of justice uit 1971. Daarin laat John Rawls een denkbeeldige groep burgers samenkomen om een sociaal contract te sluiten over de toekomstige samenleving. Alle betrokkenen zijn onwetend over hun eigen positie (rijk of arm, slim of dom, enzovoort), en zijn daardoor in staat een gedeeld kader voor een rechtvaardige verdeling van welvaart vast te stellen. Zo kun je volgens Rawls beredeneren hoe de grote lijnen van de samenleving eruit moeten zien. Bij mijn weten heeft hij deze methode niet op het strafrecht toegepast (ik droom ook niet met A theory of justice onder mijn kussen).
Op hun vrije zondagavond heb ik wat bekenden lastiggevallen met de casus en de vragen: kan voor bewijs worden volstaan met geloofwaardige getuigenverklaringen, of is er altijd ook technisch bewijs nodig? Krijgt de rechter een ruime marge om over de strafmaat te beslissen, of moet die per misdrijf min of meer vastliggen? Moet er hard of terughoudend worden gestraft?
Je kunt dit uitbreiden naar bijvoorbeeld de wenselijkheid van minimumstraffen, en of levenslang echt levenslang moet zijn. En in hoeverre de rechter rekening moet houden met de jeugdige leeftijd van een verdachte (waarbij de bevraagde zich moet inprenten dat ook zijn kind terecht kan staan).
Bij mijn mini-enquête (lachwekkend beperkt, al heb ik geprobeerd zowel de spreekwoordelijke Telegraaflezer als zijn milder geaarde tegenhanger te bereiken) viel op dat een ruime meerderheid vindt dat je niet mag veroordelen zonder hard technisch bewijs. Getuigenbewijs, dat in ons strafproces vaak de hoofdrol speelt, wordt kennelijk maar matig vertrouwd. Mijn Telegraaflezer leek op dit punt opmerkelijk genoeg het stelligste.
Ook viel op dat de meesten weinig voelen voor grote marges bij de straftoemeting. En tot mijn spijt helt de kennissenkring in (kleine) meerderheid over naar hard straffen.
Voor de vuist weg filosoferend over de menselijk natuur denk ik dat mensen geneigd zijn risico’s uit te sluiten en bang zijn voor catastrofes. Wanneer ze zich inleven in de mogelijkheid van hun eigen veroordeling, zullen ze de lat voor het bewijs in het algemeen heel hoog leggen. Hoger dan in de huidige praktijk gangbaar is. En die strenge norm zouden ze dan zelfs voor lief nemen voor het geval ze, als slachtoffer of nabestaande, aan de andere kant zouden staan. Verder denk ik dat de rechter weinig vrijheid wordt gegund bij het bepalen van de strafmaat, omdat ze niet van onzekere invloeden houden.
Ik zei al dat mijn omgeving geen bijster groot probleem met stevig straffen blijkt te hebben. Toch geloof ik, als je je eigen veroordeling voor reëel mogelijk houdt, dat je nauwelijks voorstander kunt zijn van een stelsel met zodanig hoge straffen dat elk toekomstperspectief achter de horizon verdwijnt. Exit levenslang dus.
Zo kan een gedachte-experiment helpen om intuïtieve opvattingen (vroeger onderbuik geheten) wat te verfijnen. Ik krijg de indruk dat het wel een leuk gezelschapsspel wordt gevonden.
De roep van de maatschappij om zwaardere straffen is door de rechters ruimschoots gevolgd (wat de voorbije decennia zo ongeveer automatisch lijkt te zijn gebeurd, zonder dat iemand daartoe heeft besloten). Als mijn zeer vrijblijvende onderzoekje enigszins representatief is, en mensen inderdaad een strenger bewijsregime voorstaan dan de rechter, zou dat dan niet net zo goed navolging verdienen? Langs de redenering: de maatschappij kan iemand alleen veroordelen volgens een maatstaf die de leden van die maatschappij ook voor zichzelf acceptabel zouden vinden?
Er was trouwens één punt van unanimiteit. Geef simpele antwoorden, had ik gezegd, geen betogen. Dat negeerde (bijna) iedereen, mijn telefoon liep over van epistels vol hoewels en maren. Hetgeen maar weer aantoont: strafrecht, wie vindt daar nou niet wat van? Ook om die reden jammer dat Ivoren Toga ermee in de huidige vorm gaat stoppen. Bedankt Rick, voor alle inspanningen! Lees meer …

Bloggende, babbelende en borrelende rechters hebben recht van vrijheid van meningsuiting

Vroeger als persrechter, als voorzitter van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) en nu dus als bloggende rechter heb ik regelmatig dingen gezegd over de rechtspraak. Vaak over informatie van meer juridisch-technische aard, maar soms ook met meningen of zelfs overtuigingen. Hoe minder juridisch-technisch het onderwerp, des te gladder het ijs waarop je je begeeft. Namens rechters spreken is niet mogelijk, omdat die elk en afzonderlijk, of hoogstens met z’n drieën in een meervoudige kamer, hun eigen opvattingen kunnen hebben over het recht, in het licht van een zaak, maar als het over bredere onderwerpen gaat, zoals de plek van de rechtspraak in de samenleving, is bijna iedere mening goed of fout. Rechters kunnen vele meningen hebben. Lees meer …

Openbaar Ministerie en strafrecht in de notedop van het proportionaliteitsperspectief

In oktober kwam een nieuw boek van mij uit onder de titel Een kleine biografie van het straffen. Dit boek beschrijft de lange zoektocht naar een passende straf en executie daarvan. Ik heb daar vragen over gekregen, in het bijzonder over de betekenis van vergeldend strafrecht.
In kort bestek gaat mijn verhaal als volgt. Wie kwaad doet wordt vergolden, zo gaat het al duizenden jaren en zo zal het blijven. Vergelding heeft voor sommigen een negatieve klank en wordt eenzijdig geassocieerd met wraak en negativiteit. Maar vergelding gaat sinds mensenheugenis niet over wraak en hardhandigheid, maar over proportionaliteit in positieve én in negatieve zin. Wie het goede doet wordt beloond naar vermogen en naar prestatie. Omgekeerd, wie een stuk vlees steelt krijgt niet de doodstraf, zoveel is duidelijk, maar wat proportioneel is hangt van tijd en plaats af en bovenal van de magistratelijke weging van de ernst van het misdrijf en de omstandigheden waaronder de feiten plaatsvonden en tenslotte van de persoon van de verdachte. Deze proportionaliteit speelt in elke fase van het strafrecht en raakt de kern van gerechtigheid, rechtvaardigheid, eerlijk en juist handelen waarmee we eigenrichting hopen te voorkomen en zichtbaar hopen te maken dat we rechtsgelijkheid nastreven. Proportioneel handelen is daarmee een ethische, politieke, maatschappelijke en juridische deugd. Het Openbaar Ministerie staat vanaf het ontstaan qualitate qua en zonder enige twijfel in die sleutel van de vergeldende retributieve proportionaliteit en doet dat elke dag opnieuw naar eer en geweten. Het Openbaar Ministerie functioneert niet in een ivoren toren maar is tegelijkertijd niet het maatschappelijk werk.
Recent heb ik in een interview gezegd dat ik in straffen geloof en dat rechters en officieren van justitie geen maatschappelijk werkers zijn. Daar hoort een iets andere definitie van de positionering van het Openbaar Ministerie bij. De officier van justitie is geen maatschappelijk werker, maar bij het bedenken van de beste aanpak, interventie of straf maakt het Openbaar Ministerie wel gebruik van het maatschappelijk werk. Per slot van rekening is het Openbaar Ministerie opdrachtgever van de reclassering. Die samenwerking is cruciaal, net als de verstandhouding met alle ketenorganisaties dat is. Het fijnmazige verschil is dat het Openbaar Ministerie in het permanent aanwezige proportionaliteitsperspectief heel veel baat heeft bij het doen van wat maatschappelijk verantwoord en verstandig lijkt, daarmee vanuit een breder maatschappelijk perspectief werkt dan pakweg 20 jaar geleden, en daartoe anderen heel hard nodig heeft, maar de officier van justitie daarbij andere organisaties benut maar ze niet vervangt. Ik loop elke fase kort door, belicht vanuit de officier van justitie. Lees meer …

Ivoren toga’s in een ivoren toren

De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is een groot goed. Ontwikkelingen in landen als Polen, Hongarije en Turkije zijn ten diepste verwerpelijk, en situaties zoals die al jaren bestaan in China en Rusland zijn dat evenzeer. De rechterlijke macht behoort zijn taak zonder beïnvloeding van de uitvoerende macht te kunnen uitoefenen en ook die laatste zo nodig tot de orde kunnen roepen.
De rechterlijke organisatie dient derhalve op een behoorlijke afstand van de uitvoerende macht te staan, al valt aan financiering door deze niet te ontkomen. In ons land is die afstand geregeld in de Wet Raad voor de rechtspraak (Wet Raad) en de Wet organisatie en bestuur gerechten (Wet OBG) en de bijbehorende besluiten. Beide wetten vormen een soort tweetrapsraket. De afstand die de minister in acht moet nemen ten opzichte van de rechtspraak wordt gerealiseerd door de invoering van een Raad voor de rechtspraak, die vooral taken heeft op het gebied van de bedrijfsvoering en die jaarlijks afspraken maakt met de minister over de begroting en de daartegenover staande prestaties. In de Wet OBG wordt een bestuur bij de gerechten ingevoerd dat een groot aantal bevoegdheden krijgt, waaronder het bevorderen van de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing. De in artikelen 23 en 24 Wet OBG opgesomde bevoegdheden van dit bestuur worden echter telkens beperkt doordat het bij de uitvoering van die taken niet treedt in de procesrechtelijke behandeling of inhoudelijke beoordeling van of in de beslissing van een concrete zaak of categorieën van zaken. De onafhankelijke rechter wordt bij het in vrijheid nemen van zijn beslissingen dus niet alleen beschermd door de Raad, die de afstand tot de minister in algemene zin bewaakt, maar ook door de genoemde beperkingen van de bevoegdheden van het gerechtsbestuur, die in concrete zaken aldus op afstand wordt gehouden.
In zijn interessante Groningse dissertatie van december 2016, getiteld De macht over het strafproces, gaat Robroek uitvoerig in op de spanningen die kunnen ontstaan tussen een goede taakuitvoering door het gerechtsbestuur en de beperkingen die daaraan in de genoemde artikelen 23 en 24 Wet OBG worden gesteld. Ook komt hij met een aantal voorstellen om die spanningen te beperken c.q. op te lossen. Ik heb destijds mogen opponeren bij de verdediging van zijn proefschrift en zal daar nu niet verder op ingaan.
Ik wil hier wat breder aandacht vragen voor de bestuurlijke spanningen, me richten op een breder palet aan kwaliteitsaspecten en ook de verhouding tussen de Raad en de minister erbij betrekken. De Raad is voor het realiseren van zijn doelstellingen en prioriteiten vrijwel geheel afhankelijk van de gerechtsbesturen. Als die er niet in slagen de vertaalslag, noem ik het maar even, te maken naar de rechters en hun medewerkers, staat de Raad met lege handen. Ik doe dat tegen de achtergrond van mijn andere column, over de brief van de Raad en van recente gegevens over juridische kwaliteit zoals die zijn te vinden in het jaarverslag van de Raad over 2017. Lees meer …