Keffende strategen

“Een advocaat die niet van te voren informeert wie de zittingsrechters zijn, doet zijn werk niet goed”, hield een rechter ons cursisten vorige week voor, wat mij op slag onrustig maakte want dat vraag ik maar zelden. Maar inderdaad speelt (juist) in strafrechtland de menselijke factor ongetwijfeld een grote rol. Het maakt heel wat uit of je één van die minzaam knikkende maar hard afrekenende sfinxen treft, of de over-assertieve Amsterdamse voorzitter die onder het uitzenden van borende blikken over zijn bril al na twee zinnen de poten onder je pleidooi wegzaagt, maar wel de discussie opengooit en naar mijn ervaring verdachten vaker niet dan wel onder uit de zak geeft (ik verdenk hem ervan dat hij niet tegen saaie zittingen kan).

Lees verder...

De brief amicus curiae: niet ook maar een mening

“Wat zou jij doen, als je als rechter in een lopende procedure een schriftelijk stuk van een derde zou ontvangen met het verzoek zijn standpunt in het geding mee te wegen?” vroeg een van mijn Amerikaanse vrienden mij een tijdje geleden. Ik moest daarover even nadenken en zei toen dat ik het, afhankelijk van de inhoud, misschien naar partijen zou sturen met het verzoek hun visie daarop te geven. Maar ik voegde daaraan onmiddellijk toe dat wij hiervoor in Nederland geen regels in ons procesrecht hebben. Recent werd ik weer aan dit gesprekje herinnerd in het kader van de publiciteit over een strafzaak die nu in Den Haag speelt.
Zouden wij behoefte hebben aan de mogelijkheid tot indiening van een brief amicus curiae, zoals het zonder al te veel gevoel voor grammatica in de Angelsaksische rechtspraktijk wordt genoemd? Een amicus curiae is een figuur die men in het Romeinse recht reeds kende. Iemand die als zodanig optreedt, wil de rechter, letterlijk, als vriend van het gerecht bij het vormen van zijn oordeel helpen. In Engeland zou dit verschijnsel al in de negende eeuw zijn opgekomen en zowel in de Engelse als Amerikaanse rechtspraktijk wordt daarvan veelvuldig gebruik gemaakt. Ook op het Europese vasteland kennen wij de brief amicus curiae, in het bijzonder bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en – in een bepaalde vorm – bij het Hof voor Justitie van de Europese Unie (HJEU).

Lees verder...

Johan van Oldenbarneveld en de Raad voor de Rechtspraak

De geschiedenis van Johan van Oldenbarnevelt en Prins Maurits zou geweldig materiaal zijn om een Hollandse versie te maken van House of Cards. Johan als briljant jurist, politicus, financieel expert en bestuurder en de prins als de beste krijgsheer uit zijn tijd hebben in een zowel nationaal als internationaal buitengewoon woelige tijd, het kan zonder te overdrijven worden gezegd, de noordelijke Nederlanden tegen alle redelijke verwachtingen in niet alleen uit de klauwen weten te houden van de Spaansen, maar ook de grondslag gelegd voor ’s lands gouden eeuw.

Lees verder...

Meer interventies en aangifte doen bij het OM

Een interventie, waarvan het effect niet langer primair op de resocialisatie van de dader is gericht, maar op normbehoud en normherstel bij de oppassende burgers, inclusief het slachtoffer, heeft natuurlijk grote gevolgen voor het doen en laten van het OM. Ik zal die gevolgen stuk voor stuk in afzonderlijke columns bespreken.

Het eerste betreft de omvang van het aantal interventies. Die is in de afgelopen jaren stevig gedaald, zowel bij het OM als bij de rechter. Die laatste deed in 2014 nog maar krap aan 100.000 misdrijfzaken af tegen 125.000 tien jaar eerder. Bij het OM daalde het aantal ook, ondanks het veel ruimere sanctiearsenaal dat het via de strafbeschikking kreeg aangereikt. Beide dalingen zijn een rechtstreeks gevolg van de teruggang van het aantal door de politie geregistreerde misdrijven in combinatie met een gelijkblijvend, laag ophelderingspercentage.

Lees verder...

Bijzonder beroepsstrafrecht: bijzondere functies en bijzondere rechtsbelangen

1. Probleemstelling rond bijzonder beroepsstrafrecht, verkeer en gezondheidszorg
Van oudsher hebben we bijzonder strafrecht ontworpen voor bijzondere situaties, waarbij we denken dat het gewone, commune, strafrecht bedoeld is voor wetten die verankerd zijn in ons geweten, zoals het verbod iemand te doden, te stelen en zo verder.
Het strafrecht dat voorkomt in bijzondere wetten is meestal ordeningsrecht. Het zijn wetten en regels die een overheid uitvaardigt om een samenleving in een bepaalde richting te sturen, te modificeren, waarvan we weten dat burgers dat niet direct uit zichzelf kunnen of zullen doen. Deze ordeningsregels kunnen gaan over fosfaatuitstoot of over de wijze waarop achteruitkijkspiegels op bosbouwtrekkers moeten worden gemonteerd. Ogenschijnlijk talloze economische en milieuregels worden geflankeerd door de meer bekende verkeersregels.
Het is niet altijd helder in welk materieelrechtelijk domein of in welk handhavingsdomein die regels worden geplaatst. Niet alle sturingsregels worden rechtstreeks gehandhaafd door middel van het strafrecht. Het komt nog vaker voor dat de immense hoeveelheid gedragsvoorschriften in interne, al dan niet internationale, protocollen zijn neergelegd. Het strafrecht komt dan alleen met vangnetbepalingen in beeld als er iemand door niet naleving van deze ‘interne’ regels overlijdt of ernstig letsel of gevaar van ondervindt. Artikel 307 Wetboek van Strafrecht, dat culpoos gedrag verbiedt ten gevolge waarvan iemand overlijdt, biedt dan uitkomst. De bewijsconstructie wordt in die gevallen gebouwd op bijvoorbeeld overtreding van die interne luchtvaart- of ziekenhuisprotocollen waarvan voor de overtreder voorzienbaar was dat schending kan leiden tot ernstige gevolgen.
Soms zijn bijzondere gedragsvoorschriften wel strafrechtelijk van aard, zoals de verkeersregels, maar wordt de handhaving ter hand genomen door het administratieve recht en komt het strafrecht alleen in beeld als de verkeersovertreding gevaar, letsel of dood ten gevolge heeft.
Ook is niet gezegd dat waar het strafrecht in beeld komt de strafrechter de corrigerende autoriteit is. Het corrigeren van de burger, het richten van de samenleving, is in snel groeiende mate onttrokken aan de strafrechter omdat de wetgever sinds decennia ook andere corrigerende instituties, zoals het Openbaar Ministerie als onderdeel van de rechterlijke organisatie of bestuursorganen, geschikt acht om in te grijpen. Daarmee is het klassieke strafrecht, met een strafbedreiging hoger dan zes jaar, gereserveerd voor de strafrechter, daarbuitenom is het overgrote deel van correctie van misdragingen voorbehouden aan anderen.
Het is niet ongebruikelijk bijzondere misdragingen op te hangen aan het beschermde rechtsbelang, meestal het leven, en vervolgens te oordelen of er niet hogere strafmaxima op overtreding nodig zijn of een intensievere handhaving. Zie mijn vorige bijdrage over de scherp tekortschietende verkeershandhaving.
In dit opstel wil ik een andere invalshoek beproeven en het zoeklicht richten op de functionaliteit van de overtreder en welke rol het strafrecht daarin kan vervullen. Is de misdraging te koppelen aan de functie, de beroepsuitoefening van de overtreder en welke handhavingsautoriteit komt daarin het strafrecht en in het bijzonder het Openbaar Ministerie toe? Vanwege de diversiteit van het ordeningsrecht moet ik me beperken en zal ik ingaan op twee domeinen, in de eerste plaats het verkeer, in het bijzonder de handhaving van gedragsregels in de luchtvaart, en in de tweede plaats de gezondheidszorg, in het bijzonder de gang van zaken rond euthanasiewetgeving.
Nota bene. In deze bijdrage wordt het bijzonder strafrecht ruimer getypeerd dan bijzondere wetten.

Lees verder...

Antisemitisme en artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht

Door Lody B. van de Kamp, rabbijn (BEd.)

Op 5 april 2015 schallen spreekkoren door het Utrechtse voetbalstadion De Galgenwaard: ‘Me vader zat bij de commando’s, me moeder zat bij de SS. En samen verbrandden zij Joden, want Joden die branden het best’. De weerzinwekkende tekst van deze spreekkoren door de supporters veroorzaken nogal wat commotie.

De aanklager betaald voetbal van de KNVB doet een vooronderzoek, stelt de club in staat van beschuldiging “voor het herhaaldelijk uiten van antisemitische spreekkoren door de aanhang” en biedt een schikkingsvoorstel aan, waaronder een boete van € 10.000.

Lees verder...

Faites vos jeux

De vraag die het meest aan strafrechtadvocaten gesteld wordt is uiteraard de vraag naar het kunnen verdedigen van een – zoals de advocaat weet – schuldig persoon. De motieven om de discussie aan te gaan zijn interessant; soms straalt de verontwaardiging er vanaf maar ook vaak de oprechte fascinatie of pure nieuwsgierigheid. Tijdens mijn jaarlijkse gastcollege aan de Universiteit van Amsterdam, bedoeld om beginnende rechtenstudenten te enthousiasmeren voor de studie (“hou ze aan boord” is het devies) boeien het onderwerp en de discussie erover steeds opnieuw.
Er is een andere interessante vraag die ook steeds terugkomt.
“Maakt het eigenlijk verschil voor welk hof, welke rechtbank, welke kamer of zelfs welke rechter je zaak dient?” Die vraag beantwoord ik steevast met een volmondig ja, een ja dat met de jaren steeds steviger wordt. Er zijn talloze voorbeelden van verschillen, waaronder zeer grote, te geven.
Op dit moment springt het meest in het oog de manier waarop verschillende rechters, ook in één rechtbank, omgaan met de voorlopige hechtenis. In feite is dat hele gebeuren voor de verdachte niets meer of minder dan een loterij. Dat beeld wordt bevestigd wanneer rechters zelf hierover aan het woord zijn, er blijkt ronduit sprake te zijn van verschillende stromingen, die ook nog eens van richting kunnen veranderen. Toen het “Rotterdamse model” (hoofdregel: alleen vastzetten als het echt niet anders kan) al hier en daar in het land werd gevolgd vertelde een Rotterdamse rechter mij dat daar juist weer een terugtrekkende beweging was ingezet.
Het is natuurlijk niet te verkopen dat op een eerste pro forma zitting alle verdachten van de invoer van 1000 kilogram cocaïne bij betaling van een kleine borgsom met een schorsing naar huis kunnen, op grond van bovenstaande hoofdregel, terwijl een verdachte van het witwassen van € 90.000 even verderop in dezelfde rechtbank moet blijven. Dezelfde rechtbank, maar weer een andere kamer die vervolgens beslist dat de verdachte die € 20 miljoen zou hebben witgewassen geschorst wordt, dit keer zonder borgsom. In alle gevallen uiteraard ernstige bezwaren en verschillende gronden maar nergens een spoor van bijzondere persoonlijke omstandigheden, vandaar de benaming oneigenlijke schorsing. Onderdeel van de loterij is overigens ook het forum; wordt er op de zitting geschorst dan blijft de verdachte buiten, wordt er in raadkamer geschorst dan wordt na appèl van de officier van justitie door bijvoorbeeld het hof Den Haag weer steevast naar die bijzondere persoonlijke omstandigheden gevraagd, waarvan iedereen weet dat die er niet zijn; dan weet je al hoe het af gaat lopen. Sterker, de voorzitter die er in Den Haag naar vraagt (wie kent hem niet) wéét dat bij een dergelijk appèl die omstandigheden niet gaan komen en een beetje advocaat belt daarna niet eens voor de beslissing. Zo kon het gebeuren dat de rechtbank Rotterdam schorste in raadkamer, dat het hof Den Haag de officier gelijk gaf, de verdachte weer naar binnen ging, maar slechts een paar weken tot aan de volgende zitting omdat de rechtbank toen zo moedig was om tegen de zin van het hof in weer te schorsen en de officier toen niet in appèl kon (later werd door de rechtbank 8 jaar opgelegd).
Daarentegen heeft bijvoorbeeld het hof Amsterdam weer wat meer oog voor de “oneigenlijke” schorsing. Misschien heeft het daar geholpen dat vorig jaar een aantal advocaten in een zogeheten spiegelbijeenkomst ten overstaan van de gehele strafsectie mochten vertellen wat er in hun ogen mis was. De gang van zaken in raadkamer en op zitting met betrekking tot de voorlopige hechtenis was met afstand topic nummer 1. Maar daardoor is het verschil in raadkamer tussen hof Den Haag maar ook hof vestigingsplaats Arnhem en hof Amsterdam weer groter geworden.
Het is overal in het land anders. Faites vos jeux!

Lees verder...

Schaalgrootte en eilandvorming

Rick Robroek plaatst in zijn bijdrage aan dit weblog van 13 september 2016 kanttekeningen bij de kritiek die de Raad voor de Rechtspraak sinds kort uit op de financiering van de rechtspraak. Hij betwijfelt onder andere of de veronderstelling wel klopt dat de kwaliteit van de rechtspraak onder druk staat en dat dit te maken zou kunnen hebben met de uitstroom-financiering. Ik geef hem ruimhartig het voordeel van de twijfel. Ook mij is geen parameter of nationaal of internationaal onderzoek bekend waaruit dit zou blijken. Hoewel het afrekenen van rechters op productie inderdaad niet lekker voelt, gaat het hier wel om een objectief en dus controleerbaar systeem. Het staat daarmee in tegenstelling tot de meer obscure situatie van daarvoor, waar naar verluidt iedere president zijn eigen afspraken met het ministerie maakte. Je zou dus denken dat er te meer reden zou zijn het oude systeem te wantrouwen en het huidige niet vanuit de onderbuik maar met harde feiten te bekritiseren. Ook heeft Robroek gelijk dat het rapport Ontwikkeling zaakzwaarte 2008 – 2014 geen eenduidige verhoging van de zaakzwaarte laat zien (tegenover verzwaringen staan namelijk ook verlichtingen).

Lees verder...

Hoe praktijkvriendelijk is de financiering van de Rechtspraak?

Ronny van de Water

Rick Robroek vraagt zich in een kritisch commentaar op het artikel van Sterk en van Dijk in het NJB van 17 juni 2016 af hoe rechtstatelijk de financiering van de Rechtspraak is. Het commentaar van Robroek komt er in de kern op neer dat de Raad voor de rechtspraak er niet in slaagt hard te maken dat het huidige financieringssysteem leidt tot onaanvaardbaar kwaliteitsverlies en dat er daarom ook geen reden is om ten opzichte van andere overheidstaken als onderwijs en gezondheidszorg een uitzonderingspositie te claimen voor de rechtspraak als het gaat om algemene taakstellingen binnen de overheid. Het commentaar van Robroek oogt vooral als een wetenschappelijke benadering van de probleemstelling waarbij de bewijslat voor de rechtspraak hoog wordt gelegd. Een reactie vanuit een meer praktische benadering is op zijn plaats. Ik zal mij daarbij beperken tot mijn ervaringen met het financieringssysteem in de hoedanigheid van kinderrechter en strafrechter.

Lees verder...

Samenwerken en onafhankelijkheid

Over de onafhankelijkheid van rechters wordt geregeld gesproken en is veel te zeggen. En wat het inhoudt – daarover is men het lang niet altijd eens. Het argument dat iets in strijd met de rechterlijke onafhankelijkheid zou zijn, wordt er nogal eens met de haren bijgesleept, vooral om te onderbouwen dat en waarom men iets niet wil. Dit speelt bijvoorbeeld als rechters zich verzetten tegen voorstellen of afspraken om samen te werken.

Neem de zitting van de meervoudige strafkamer. Drie rechters en een griffier behandelen een dag lang een aantal zaken. Zij ontvangen enkele weken tevoren (doorgaans nog steeds) een pak papier – een origineel dossier en vier kopieën (schaduwdossiers) – en moeten zich vervolgens gaan voorbereiden. Een niet zelden toegepaste praktijk is dat ieder de dossiers een paar dagen voor de zitting begint te bestuderen en dat de combigenoten elkaar kort voor het uitroepen van de eerste zaak in de rechtszaal treffen. Grote kans dat de griffier dan nog met kopieën van nagekomen of eerder niet meegekopieerde stukken uitdeelt. Even groot is de kans dat niet alle rapporten blijken te zijn aangeleverd en dat nog getuigen moeten worden gehoord.
Mogelijk begint de zitting dan al met een leespauze. Verder kan het nodige gesteggel met officier van justitie en verdediging over de onvolledigheid van het dossier worden verwacht. Aanhoudingen liggen dan ook al gauw in het verschiet. In dit traditionele model zal de voorzitter alle zaken behandelen en zijn zijn collega’s met recht bijzitters. Veel zal die dag niet worden afgehandeld en de kans is aanzienlijk dat de zitting behoorlijk zal uitlopen. Pizza’s zullen dan ook het raadkameren opgeuren.

Lees verder...