Potentaten en rechterlijke onafhankelijkheid

Deze zomer heb ik een al langer voorgenomen bezoekje gebracht aan Neurenberg, de stad van de nazi-partijdagen, de rassenwetten en, niet toevallig, ook die van de na-oorlogse processen tegen nazi-kopstukken, voor zover in de kraag gevat en niet door zelfmoord aan de gerechtigheid ontkomen.

Dat deze processen er zijn gekomen, was niet vanzelfsprekend. Dictator Jozef Stalin stelde voor pakweg 50.000 Duitsers om te brengen en ook Winston Churchill was aanvankelijk sterk tegen een proces. Hij was ervoor de ergste nazi’s, binnen zes uur na formele vaststelling van hun identiteit, ter dood te brengen. Hij vreesde juridisch geneuzel en wilde geen podium creëren. Ook Franklin Roosevelt neigde aanvankelijk naar deze buitengerechtelijke vorm van afdoening.

Lees verder...

Heruitvinding van het OM

In een gesprek met een aantal leden van het OM, kwam plotseling de gedachte op dat het weer eens tijd werd voor een nieuw visiestuk van het OM. Wat een vreselijk woord, maar het gaat natuurlijk niet om het stuk, maar om de visie. Organisaties hebben, kennelijk, de behoefte om zich van tijd tot tijd, opnieuw uit te vinden; Philips doet zijn lichtdivisie de deur uit en concentreert zich op medische technologie; Shell gaat, eindelijk, ook in de alternatieve energie en Jumbo koopt de restaurantketen La Place uit de failliete boedel van VenD.

Lees verder...

Hoe rechtsstatelijk is de financiering van de Rechtspraak?

Sinds 2002 kent de Nederlandse rechtspraak een financieringsmodel waarin een groot deel van de organisatie van de rechtspraak bekostigd wordt op basis van – kort gezegd – de uitstroom van zaken vermenigvuldigd met een tarief per zaak dat driejaarlijks wordt vastgesteld. Op dat model oefent de Raad voor de rechtspraak sinds dit jaar fundamentele kritiek uit. Dat begon met de nieuwjaarstoespraak van Frits Bakker, de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak, en werd in mei gevolgd door het van zijn hand afkomstige jaarbericht dat een onderdeel vormt van het jaarverslag van de rechtspraak over het jaar 2015.[1] Deze kritiek kreeg voor de zomer een uitgebreide onderbouwing in een op 17 juni 2016 in het NJB verschenen artikel van Kees Sterk en Frans van Dijk, respectievelijk vice-voorzitter en directeur van de Raad voor de rechtspraak.[2] Het verkondigen van dit (voor zover ik kan overzien: nieuwe) standpunt komt niet op een toevallig moment omdat er thans onderhandeld wordt over de prijzen voor het tijdvak 2017-2019. En het is vooral de wijze van vaststelling van die prijzen waarop de kritiek zich richt. De verwijten aan de regering zijn ernstig. De wet zou worden overtreden bij de financiering van de rechtspraak en dat zou de rechterlijke en institutionele onafhankelijkheid aantasten. In deze bijdrage beproef ik de vraag of dat verwijt terecht is. Omdat hun bijdrage de meest uitgebreide en meest onderbouwde is en ik er vanuit ga dat Sterk en Van Dijk namens de Raad voor de rechtspraak spreken, richt ik me in het bijzonder op hun artikel.

Lees verder...

Verkeershandhaving. Man, ga boeven vangen

1. Inleiding: Man, ga boeven vangen
Van doorsnee burger, politieman tot politicus vindt men flitspalen en trajectcontroles een kwalijke zaak. Te hard gereden op een snelweg waar toch nooit wat gebeurt en dan een tijd later een bekeuring op de mat met een veel te hoog geldbedrag, het voelt als het spekken van de schatkist. De overheid is dan ook voor een kleine miljard Euro spekkoper aan makkelijke boetes. Dit maatschappelijk brede gevoel leidt ook tot boosheid richting die enkele verkeerspolitie man of vrouw die een verkeersovertreder staande houdt en een bekeuring geeft. Man, ga boeven vangen is een veelgehoorde uitlating. Dat gegeven zou verklaren waarom burgers en politici boos worden over bepaalde typen verkeershandhaving. Dit opstel bestrijkt de misvattingen over de verkeersregels die sinds 1945 mede ten grondslag lagen aan de 100.000 verkeersdoden op de Nederlandse wegen.

Lees verder...

Kwaliteit en babyboomers

Het veel besproken Meerjarenplan van de Raad voor de rechtspraak en de presidenten van de gerechten besteedt nogal wat woorden aan de noodzaak de kwaliteit van de rechtspraak op peil te houden en te verbeteren. Daartoe worden allerlei meer of minder uitgewerkte voorstellen gepresenteerd. Opvallend afwezig daarbij is het gebruik van hen die – vaak met een bagage vol kennis en ervaring – de rechterlijke macht verlaten. En dan heb ik het over degenen die daartoe vanwege hun leeftijd worden gedwongen, onze pensionados, deze en de komende jaren vooral babyboomers.
Ja, het zijn 70-plussers, maar een, ik denk toenemend, aantal van hen is nog fit en zou best op de een of andere manier een bijdrage willen blijven leveren. Dat een rechter daarop vanwege de onverbiddelijke wettelijke grens (art. 46h lid 3 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, als uitwerking van art. 117 lid 3 Grondwet) geen aanspraak heeft, is misschien nog wel te billijken. Je moet als organisatie niet in de positie terechtkomen dat je steeds senieler wordende rechters een pijnlijk zetje zou moeten geven (al speelt dat probleem helaas ook weleens op jongere leeftijd). Maar dat het helemaal niet kan, is niet alleen voor mogelijke gegadigden jammer. Het is ook iets waarmee de rechterlijke macht zichzelf tekort doet.

Lees verder...

Transparantie: strafzaken in hoger beroep

Over transparantie bij de strafrechtspraak in eerste aanleg heb ik nauwelijks te klagen. In de jaarlijks publicatie Criminaliteit en Rechtshandhaving is heel veel informatie te vinden over de activiteiten van de ketenpartners. Het aantal zaken dat de politie jaarlijks registreert en het ophelderingspercentage; het aantal zaken dat van jaar tot jaar bij het OM wordt ingeschreven; de afdoening van die zaken door rechter en OM allemaal keurig per type misdrijf uitgesplitst. Gegevens over vrijspraken en schuldigverklaringen en gedetailleerde informatie over het soort en ook de hoogte van de sancties en ook dat weer per misdrijf. Hoe lang strafzaken gemiddeld duren bij de PR, de KR en de MK, het wordt allemaal nauwkeurig opgetekend en beschikbaar gesteld. Kortom een onuitputtelijke bron voor wie, zoals ik, zicht wil houden op de (kwantitatieve) ontwikkeling van de strafrechtspraak.

Lees verder...

Naar een schriftelijk strafproces in hoger beroep

Iedere deelnemer aan het strafproces wenst in iedere aanleg een goede en zorgvuldige zaaksbehandeling. Daargelaten dat wat goed en zorgvuldig is voor ieder van die deelnemers verschillend zal zijn, zal iedereen het met mij eens zijn dat voor een goede en zorgvuldige behandeling middelen ter beschikking moeten worden gesteld. Ik zou zeggen dat de beschikbare middelen afhankelijk zijn van bredere politiek keuzes om ook andere kerntaken van de overheid (denk aan zorg en onderwijs) goed te financieren. Hoe dan ook lijkt het verstandig de voor de strafrechtspraak beschikbare middelen daar in te zetten waar ze vanuit strafvorderlijk oogpunt het meeste effect sorteren. Vanuit die gedachte zou ervoor gekozen kunnen worden om het zwaartepunt te leggen bij de behandeling in eerste aanleg. De herinneringen zijn dan nog het meest vers zodat het zowel in bewijstechnische zin als voor de normbevestiging vooral daar moet gebeuren. Het hoger beroep zou vervolgens minder als herkansing en meer als herstel van in eerste aanleg gemaakte fouten kunnen worden benut. Deze benadering (die natuurlijk meer uitwerking vergt dan een kort opiniërend blog kan bieden) brengt met zich dat in eerste aanleg alles uit de kast wordt gehaald om (onder meer) bovengenoemde strafvorderlijke doelen ten aanzien van bewijs en normbevestiging optimaal te dienen. Daarbij passen geen rechtbankrechters die zichzelf beschouwen als een eerste filter in de rechterlijke strafketen en ervan uitgaan dat het hof wel de puntjes op de i zet (hoewel daar bij hoven die hoe dan ook alles over doen en rechtbankvonnissen standaard vernietigen zonder meer begrip voor valt op te brengen). Wat er wel bij past, zijn hofrechters die zorgen voor een voortvarende en voortbouwende behandeling in hoger beroep. Wanneer immers het zwaartepunt in eerste aanleg ligt, moet de controle daarop ter verwezenlijking van eerder genoemde strafvorderlijke doelen snel gebeuren. Die snelheid heeft nog een andere belangrijk voordeel: het maakt mogelijk middelen vrij voor de eerste aanleg en zorgt er in ieder geval voor dat ook andere zaken voortvarend kunnen worden afgedaan (met als een soort Droste-effect dezelfde voordelen).

Lees verder...

De smoesjescatalogus

De raadsman als delictscenarioschrijver

Tijdens mijn allereerste strafzitting (over een vordering tenuitvoerlegging) vroeg ik aan een raadsman waarom zijn cliënt er niet was. Hij wist het niet. Ik vroeg: zit hij soms in de gevangenis? Waarop hij met een theatraal gebaar naar zijn hart greep en uitriep: míjn cliënt in de gevangenis?! Het klopte. Zijn cliënt zat niet in de gevangenis, maar op het politiebureau. Vraag fout gesteld.

Sommige advocaten gaan vol voor het standpunt van hun cliënt, ook al is dit feitelijk of juridisch niet erg trefzeker of overtuigend. Mogelijk is hun cliënt na afloop tevreden, de feitelijke invloed van het pleidooi op de uitkomst van het proces is dan meestal beperkt. Andere advocaten concentreren zich meer op effectiviteit en kunnen zeer subtiel laten doorschemeren waar ze het standpunt van hun cliënt verwoorden en aan welke argumenten ze zelf veel of weinig gewicht toekennen. Als rechter vind ik die advocaten heel goed die in staat zijn dat te doen op basis van een reële inschatting van bijvoorbeeld feiten, jurisprudentie, het bewijsmateriaal. Die advocaten zijn meer dan evenredig invloedrijk, omdat ik bij hen nog wat meer geneigd ben op het puntje van mijn stoel te gaan zitten en gevolg te geven aan hetgeen zij zeggen dan bij advocaten die een soort vast patroon van verdediging laten zien, bijvoorbeeld met veel verve verweren voeren die in het licht van wet en jurisprudentie weinig kansrijk zijn.

Lees verder...

Graag meteen ook de antwoorden

Een advocaat mag niet liegen. Zeker niet tegen de rechter. Daar schijnt wisselend over gedacht te worden, maar dat ligt misschien aan de definitie. Ik versta eronder: bewust feitelijke onjuistheden voor waar meedelen, en dat mag dus niet. Ik denk trouwens dat de meeste advocaten ook helemaal niet willen liegen. Het maakt de boel ingewikkeld en het strafproces is al complex genoeg.
Voor de verdachte ligt het anders: hij mag alles, dus ook liegen dat het gedrukt staat. En veel verdachten zullen kleine of grote redenen hebben om, zoals wel parmantig in vonnissen staat, ‘de waarheid te bemantelen’. Of het wijs is om dat te doen is de vraag, en dat raakt aan een belangrijke taak voor de advocaat: de cliënt voorbereiden op de verhoren.
Niet altijd gemakkelijk. Ook voor de advocaat is er een afbreukrisico: je voelt je er toch op aangekeken als jouw cliënt tijdens het verhoor alle hoeken van de kamer ziet!
En waar bereid je eigenlijk op voor? De gemiddelde cliënt wil niet alleen de vragen horen die hij kan verwachten maar graag meteen ook de antwoorden. Maar iemand zijn verklaring kant-en-klaar voorschotelen is duidelijk niet de bedoeling. Van de raadsman wordt wel verwacht dat hij wijst op de juridische gevolgen van diverse te volgen strategieën, waaronder af te leggen verklaringen. Dat houdt dus in: de best mogelijke verklaring met de meeste kans op een gunstige afloop. Je ontkomt er dan niet aan om verschillende opties door te nemen, en het waarheidsgehalte hoeft niet doorslaggevend te zijn.
Het kan ook niet anders, want de advocaat is niet bezig met waarheidsvinding, maar met eenzijdige belangenbehartiging. Wat niet wegneemt dat hij de grens met zijn cliënt moet bewaken; die moet de bron van de verklaring zijn, niet zijn raadsman. Een potentieel mijnenveld.

Lees verder...

Moet de Persrichtlijn op de schop?

Onlangs moest juridisch commentator Folkert Jensma in zijn column “De Rechtsstaat” in NRC Handelsblad naar aanleiding van een bezoek van Russische rechtbankverslaggevers vaststellen dat het met de openbaarheid van onze gerechten maar zo zo is gesteld. Wie als journalist in Nederland zittingen wil bijwonen, moet allerlei bureaucratische hindernissen overwinnen. Dat wil je vandaag de dag niet graag aan Russen uitleggen.

Misschien kan Jensma enige hoop putten uit een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 22 maart j.l.

Lees verder...